ECLI:NL:HR:2015:2748

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2015
Publicatiedatum
18 september 2015
Zaaknummer
15/01816
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens gebrek aan belang en gegrondheid

In deze zaak hebben eiser c.s. beroep in cassatie ingesteld tegen arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verweerders in cassatie zijn verstek laten gaan. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat de partij die het beroep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien deze overwegingen en het advies van de Procureur-Generaal is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast heeft de Hoge Raad eiser c.s. veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerder c.s. op nihil zijn begroot. Het arrest is gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gegrondheid.

Uitspraak

18 september 2015
Eerste Kamer
15/01816
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. P.J.L.J. Duijsens en mr. D.Th.J. van der Klei,
t e g e n
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 218937/HA ZA 11-1162 van de rechtbank Arnhem van 2 november 2011 en 30 mei 2012;
b. de arresten in de zaak 200.114.363 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014 en 13 januari 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2 en 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
18 september 2015.