ECLI:NL:PHR:2015:1022

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2015
Publicatiedatum
8 juli 2015
Zaaknummer
15/01816
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens onvoldoende onderbouwing opgewekt vertrouwen crediteuren

In deze zaak staat centraal of verweerders het vertrouwen hebben gewekt dat zij de belangen van de crediteuren zouden behartigen. Eiser heeft cassatieberoep ingesteld tegen een eerdere uitspraak van het hof. Het hof heeft geoordeeld dat eiser niet heeft gesteld dat hij erop heeft vertrouwd dat verweerders de vorderingen van eiser zouden voldoen.

De Hoge Raad overweegt dat dit oordeel niet op begrijpelijke wijze is bestreden in cassatie. Daarnaast voldoen de klachten over het zogenoemde opgewekte vertrouwen niet aan de vereisten van artikel 407 lid 2 Rv Pro. De stellingen zijn vaag en onduidelijk en voegen niets toe aan de reeds uitvoerig behandelde problematiek over de toezegging.

Daarom kon het hof het bewijsaanbod van eiser passeren. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a RO, omdat de klachten onvoldoende zijn onderbouwd.

Uitkomst: Cassatieberoep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van het opgewekte vertrouwen.

Conclusie

19 juni 2015
mr. J. Spier
15/01816
Conclusie Inzake
[eiser] c.s.
tegen
[verweerder 1] en [verweerster 2]
1. In deze zaak is tijdig cassatieberoep ingesteld. Het gaat – heel kort gezegd – om de vraag of [verweerders] het vertrouwen hebben gewekt dat zij, in de bewoordingen van de in de cassatiedagvaarding onder 18 en 19 weergegeven klachten, zich “de belangen van de crediteuren” zullen aantrekken.
2. Het Hof heeft aangenomen dat [eiser] c.s. niet stellen dat zij erop hebben vertrouwd dat [verweerders] de vorderingen van [eiser] c.s.
volledigzouden voldoen. Dat oordeel wordt in cassatie niet op begrijpelijke wijze bestreden.
3. Voor zover de klachten zo moeten worden begrepen dat [eiser] c.s. aan de orde stellen dat [verweerders], het door hen opgewekte vertrouwen van het tegendeel ten spijt, helemaal niet thuis geven, voldoen zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Als vindplaatsen voor zodanig vertrouwen worden genoemd: de inleidende dagvaarding onder 10, de memorie van grieven onder 18, 19, 21, 22, 29 en het p.v. van de comparitie in prima p. 4 halverwege. Voor zover daar al iets staat over opgewekt vertrouwen (wat in de meeste gevallen niet zo is) is het betoog, zoal begrijpelijk, zo vaag dat het Hof er niet op in behoefde te gaan. Onduidelijk is ook wat deze stellingen toevoegen aan de problematiek van de toezegging waarop het Hof uitvoerig is ingegaan. Nu de stellingen tekort schieten, kon het Hof het bewijsaanbod waarop onderdeel 20 doelt passeren.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal