Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 september 2015.
Hoge Raad
Op 28 november 2012 bedreigde verdachte een persoon door met een stoel boven zijn hoofd te zwaaien en dreigende bewegingen te maken. Het hof oordeelde dat dit gedrag, gezien de omstandigheden, een bedreiging met zware mishandeling vormt. De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, een getuige en de verdachte zelf, die bevestigden dat verdachte de stoel dreigend hanteerde.
De verdachte stelde in cassatie dat de bewezenverklaring onvoldoende was onderbouwd om te spreken van bedreiging met zware mishandeling. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie en oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk was.
Het cassatieberoep werd verworpen. Hiermee blijft de veroordeling van de verdachte voor bedreiging met zware mishandeling in stand. De Hoge Raad bevestigt dat de bedreiging zodanig was dat bij het slachtoffer de redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor bedreiging met zware mishandeling blijft in stand.