Uitspraak
1.Procesgang en bestreden beschikking
2.Het cassatieberoep
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden toewijsbaar is. De betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor het feit waarvoor het DNA-onderzoek plaatsvond, maar haar bezwaarschrift werd gegrond verklaard.
De rechtbank en het hof verklaarden het verzoek tot vergoeding niet-ontvankelijk omdat de strafzaak niet was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de regeling van artikel 591a Sv alleen ruimte biedt voor vergoeding in gevallen waarin de strafzaak eindigt zonder straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr.
De Hoge Raad legt uit dat de wetgever met artikel 591a Sv een billijkheidscorrectie wilde bieden voor kosten van rechtsbijstand in strafzaken die zonder strafoplegging eindigen, en dat deze regeling niet zonder meer van toepassing is op procedures die niet rechtstreeks gekoppeld zijn aan de strafzaak, zoals de bezwaarschriftprocedure op grond van de Wet DNA-onderzoek.
De Hoge Raad wijst op eerdere rechtspraak en de wetsgeschiedenis die bevestigen dat vergoeding van kosten voor rechtsbijstand mogelijk is indien de strafzaak eindigt zonder straf of maatregel, maar niet indien de betrokkene onherroepelijk is veroordeeld. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure wordt niet toegewezen omdat de strafzaak onherroepelijk met veroordeling is geëindigd.