Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 21 november 2014, nr. BK‑13/01803, betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 november 2014, betreffende een door belanghebbende voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer C. Schaap als voorzitter, en raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.