Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 29 september 2015 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant inzake het beslag op geldbedragen van in totaal €5.350,-. De rechtbank had het klaagschrift van de beslagene gegrond verklaard en de teruggave van het geldbedrag gelast, waarbij zij oordeelde dat voortzetting van het beslag niet noodzakelijk was omdat het recht van verhaal voldoende werd gewaarborgd door beslag op andere panden.
De Hoge Raad herhaalt de overwegingen uit eerdere rechtspraak (ECLI:NL:HR:2013:833) dat bij de beoordeling van een klaagschrift op grond van art. 94a Sv niet ambtshalve een onderzoek naar proportionaliteit en subsidiariteit hoeft plaats te vinden, maar dat de rechter bij de motivering van zijn oordeel wel moet blijken te hebben verricht dat onderzoek indien daaromtrent twijfel bestaat.
De rechtbank had kennelijk wel een dergelijk onderzoek verricht, maar haar motivering was ontoereikend omdat zij slechts stelde dat het recht van verhaal voldoende werd gewaarborgd door beslag op panden en dat voortzetting van het beslag op het geldbedrag niet noodzakelijk was, zonder nadere motivering.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op het beslag op de geldbedragen en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling en afdoening op het bestaande klaagschrift. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over het beslag op geldbedragen wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.