Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld.
3.Slotsom
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een moordzaak van 16 oktober 2008 in Almere. De verdachte werd medeplegen moord ten laste gelegd, waarbij het hof had vastgesteld dat zij samen met anderen het slachtoffer met voorbedachten rade had gedood. Het bewijs bestond uit diverse verhoren van de verdachte, verklaringen van getuigen, forensisch DNA-onderzoek en een deskundigenrapport.
Het hof oordeelde dat de verdachte door misleidende mededelingen aan het slachtoffer en het verrichten van ondersteunende handelingen na het schot een bewuste en nauwe samenwerking had met de medeverdachten. De verdachte voerde aan dat zij slechts morele steun wilde bieden en een bemiddelende rol wilde vervullen, maar het hof achtte dit ongeloofwaardig.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor medeplegen, waarbij een nauwe en bewuste samenwerking vereist is met een bijdrage van voldoende gewicht. De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bijdrage van de verdachte aan de moord als medeplegen kwalificeert. De motivering ontbeert om te concluderen dat sprake is van een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht die nauwe samenwerking impliceert.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het medeplegen en de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering van medeplegen en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.