Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een moordzaak, bekend als de kofferbak- en rioolputmoord. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en drie maanden. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige.
Het eerste middel van cassatie werd verworpen zonder nadere motivering, aangezien het niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noopt. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden in de cassatiefase.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van acht jaar en drie maanden naar acht jaar en twee maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen. Hiermee werd het arrest van het hof gedeeltelijk vernietigd en zelf afgedaan door de Hoge Raad.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van acht jaar en drie maanden naar acht jaar en twee maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.