ECLI:NL:HR:2015:2898

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2015
Publicatiedatum
1 oktober 2015
Zaaknummer
14/06024
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 3:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over verschoonbaarheid termijnoverschrijding bezwaar BPM

Belanghebbende betaalde op 3 juni 2010 BPM op aangifte en maakte op 27 april 2012 bezwaar tegen dit bedrag. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat geen besluit in de zin van de Awb ten grondslag lag en er geen rechtsmiddelverwijzing verplicht was.

De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of belanghebbende redelijkerwijs wist dat bezwaar binnen zes weken moest worden gemaakt, en dat de verwijzing in het aangiftebiljet naar de toelichting op zich niet uitsluit dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan zijn. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte aannam dat belanghebbende tijdig is gehoord, omdat het hoorgesprek op 4 mei 2012 niet betrekking had op het bezwaar.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt hij de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

2 oktober 2015
nr. 14/06024
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] v.o.f.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 23 oktober 2014, nr. 13/00207, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3011) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
Belanghebbende heeft op 3 juni 2010 op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Het daartegen door belanghebbende bij brief van 27 april 2012 gemaakte bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de hiervoor in 2.1 bedoelde termijnoverschrijding niet op de voet van artikel 6:11 Awb Pro verschoonbaar is. Aan dit oordeel heeft het Hof onder meer ten grondslag gelegd dat aan de heffing van bpm bij wege van voldoening op aangifte geen besluit van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:45 Awb Pro ten grondslag ligt en daarom geen wettelijke verplichting bestaat tot rechtsmiddelverwijzing, en dat bovendien in de toelichting bij het aangiftebiljet uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheid van bezwaar en de daarvoor geldende termijn en in het aangiftebiljet naar die toelichting wordt verwezen.
2.2.2.
Klacht I richt zich tegen het hiervoor in 2.2.1 omschreven oordeel van het Hof. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 5 december 2014, nr. 13/05778, ECLI:NL:HR:2014:3441, BNB 2015/41, en nr. 13/05801, ECLI:NL:HR:2014:3510, BNB 2015/42, worden de door het Hof gebezigde gronden door klacht I terecht bestreden. Uit de hiervoor vermelde arresten volgt dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule bij voldoening van belasting op aangifte geen grond oplevert om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te oordelen in gevallen waarin op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Daarbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat in het aangiftebiljet naar een daarbij gevoegde toelichting wordt verwezen, waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheid van bezwaar en de daarvoor geldende termijn, op zichzelf niet maakt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet van een onderzoek of op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende wist dan wel geacht moet worden te hebben geweten dat zij binnen zes weken na 3 juni 2010 bezwaar moest maken. Het hiervoor in 2.2.1 vermelde oordeel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting ofwel het behoefde nadere motivering, die ontbreekt. Klacht I slaagt.
2.3.1.
De klachten II, III en IV richten zich tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is geweest van schending van de in artikel 7:2 Awb Pro neergelegde verplichting van de Inspecteur om belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord voordat hij op het bezwaar besliste. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat ter zake van het door belanghebbende gemaakte bezwaar op 4 mei 2012 en 15 juni 2012 hoorgesprekken hebben plaatsgehad.
2.3.2.
Klacht IV, die zich richt tegen het oordeel van het Hof dat ter zake van het hiervoor in 2.1 bedoelde bezwaar hoorgesprekken hebben plaatsgehad op 4 mei 2012 en 15 juni 2012, slaagt. De Inspecteur heeft op 26 mei 2012 uitspraak op het bezwaar gedaan. In het licht van de verklaring van de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank dat het op 4 mei 2012 gehouden hoorgesprek niet betrekking had op dat bezwaar, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk het oordeel dat belanghebbende is gehoord alvorens de Inspecteur op 26 mei 2012 uitspraak op dat bezwaar deed.
2.3.3.
De klachten II en III richten zich tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 7:3 Awb Pro ook niet was gehouden om belanghebbende te horen omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Aangezien het Hof aan dit oordeel de redengeving ten grondslag heeft gelegd als hiervoor in 2.2.1 vermeld, brengt het hiervoor in 2.2.2 overwogene mee dat de grond aan dit oordeel ontvalt. De klachten II en III slagen in zoverre.
2.4.
Gelet op het hiervoor in 2.2.2, 2.3.2 en 2.3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummer 14/06021 en nummer 14/06026 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 1960, derhalve € 653,34, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.