Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had uitspraak gedaan op 21 mei 2013. Volgens artikel 432 lid 1 sub a Sv Pro moest de verdachte binnen 14 dagen na de einduitspraak van het hof cassatie instellen. Hoewel de appel was ingesteld door de gemachtigde van de verdachte en de appeldagvaarding aan de gemachtigde was betekend, werd het cassatieberoep pas na het verstrijken van deze termijn ingediend.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de in de cassatieschriftuur aangevoerde omstandigheden niet konden worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.
Het arrest van de Hoge Raad werd gewezen op 6 oktober 2015 door de vice-president en twee raadsheren. De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep, waardoor het beroep niet inhoudelijk werd behandeld.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens termijnoverschrijding zonder bijzondere omstandigheden.