(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 februari 2018 is de verdachte niet verschenen. De politierechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte op 22 februari 2018 bij verstek veroordeeld.
(ii) Op 28 februari 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. In de ‘bijzondere schriftelijke volmacht’ tot het instellen van het hoger beroep is als adres van de verdachte opgegeven: [a-straat 1] , [plaats] .
(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van 21 oktober 2019 is op 7 oktober 2019 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, nadat het op 25 september 2019 niet was gelukt de dagvaarding uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats] , omdat op dat adres niemand werd aangetroffen. Op de akte van uitreiking is vermeld dat op 7 oktober 2019 een afschrift is verzonden naar het betreffende adres van de verdachte. Uit de aangehechte informatiestaten SKDB-persoon van 16 augustus 2019 en 7 oktober 2019 volgt dat vanaf 12 november 2018 het BRP-adres van de verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats] was. Uit deze informatiestaat volgt tevens dat het adres [a-straat 1] te [plaats] , het adres dat de verdachte had opgegeven bij het instellen van het beroep, het BRP-adres van de verdachte was van 19 mei 2017 tot 12 november 2018.
(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2019 houdt in dat de verdachte is verschenen, dat zij woont op het adres [b-straat 1] te [plaats] en dat de verdachte een verzoek om aanhouding van de zaak doet wegens – kort gezegd – het ontbreken van rechtsbijstand. Het hof heeft vervolgens de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en overwogen dat de verdachte, de raadsman en de benadeelde partij een nieuwe oproeping zullen ontvangen.
(v) De oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2020 is op 8 juni 2020 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, nadat het eerder op 8 en 13 mei 2020 niet was gelukt de oproeping uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats] , omdat op dat adres niemand aanwezig was of bereid was de gerechtelijke brief aan te nemen. Op de akte van uitreiking is vermeld dat 8 juni 2020 tevens een afschrift van de oproeping is verzonden naar het betreffende adres. Aan de oproeping zijn Informatiestaten SKDB-persoon gehecht van 29 april 2020 en 22 juni 2020 waaruit blijkt dat vanaf 12 november 2018 het BRP-adres van de verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats] was.
(vi) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2020 houdt in dat de verdachte en haar raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof niet zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt voorts in dat de raadsvrouw van de verdachte schriftelijk heeft verzocht de zaak aan te houden en dat het hof voorafgaand aan de zitting aan de raadsvrouw heeft bericht dat het verzoek ter zitting zou worden toegewezen. Het hof heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
(vii) Vervolgens is de verdachte opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 3 november 2020. Deze oproeping is op 8 oktober 2020 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, nadat het op 18 en 22 september 2020 niet was gelukt de oproeping uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Ik merk op dat de akte van uitreiking niet inhoudt dat tevens een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het betreffende adres.Dat hangt samen met de omstandigheid dat op de akte is aangekruist dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is. Bij de akte van uitreiking bevindt zich niet een Informatiestaat SKDB-persoon.
(viii) Een e-mailbericht van [verbalisant] , hoofdagent van de Politie Oost-Nederland, Veluwe-Noord, van 22 oktober 2020, gericht aan de ‘Zittingsvoorbereiding’ van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden houdt, voor zover van belang, het volgende in: