ECLI:NL:PHR:2021:1219

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
20/03893
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 SvArt. 416 SvArt. 285b SrArt. 285 SrArt. 142 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij overschrijding termijn wegens medische omstandigheden

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 3 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter wegens belaging, bedreiging, misbruik alarmnummer en eenvoudige belediging. Het cassatieberoep werd pas op 26 november 2020 ingesteld, terwijl dit binnen veertien dagen na het arrest had moeten gebeuren.

De Hoge Raad stelde vast dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, onder meer door telefonische mededelingen en correspondentie van de raadsman. Normaal gesproken leidt dit tot niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding. Echter, in de schriftelijke reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal werd een beroep gedaan op medische omstandigheden: de verdachte was opgenomen in het ziekenhuis vanwege een ernstige, levensbedreigende ziekte, waardoor zij niet in staat was tijdig cassatie in te stellen.

De Hoge Raad overweegt dat zulke bijzondere omstandigheden de termijnoverschrijding verontschuldigen kunnen maken. Daarom wordt het cassatieberoep ontvankelijk verklaard, ondanks de overschrijding. De inhoudelijke behandeling van het cassatiemiddel volgt niet in dit arrest, omdat de ontvankelijkheid centraal stond. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de toepassing van art. 432 Sv Pro en jurisprudentie over verontschuldigbaarheid van termijnoverschrijding bij ernstige ziekte.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt ontvankelijk verklaard ondanks overschrijding van de termijn wegens verontschuldigbare medische omstandigheden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03893
Zitting21 september 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 3 november 2020 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 februari 2018. Bij dat vonnis is de verdachte wegens 1. ‘belaging’, 3. ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt’, 4. ‘opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd’ en 5. ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
3. Voorafgaand aan de bespreking van het middel dient de vraag naar de ontvankelijkheid van het op 26 november 2020 ingestelde cassatieberoep aan de orde te worden gesteld.
4. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in:
(i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 februari 2018 is de verdachte niet verschenen. De politierechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte op 22 februari 2018 bij verstek veroordeeld.
(ii) Op 28 februari 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. In de ‘bijzondere schriftelijke volmacht’ tot het instellen van het hoger beroep is als adres van de verdachte opgegeven: [a-straat 1] , [plaats] .
(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van 21 oktober 2019 is op 7 oktober 2019 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, nadat het op 25 september 2019 niet was gelukt de dagvaarding uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats] , omdat op dat adres niemand werd aangetroffen. Op de akte van uitreiking is vermeld dat op 7 oktober 2019 een afschrift is verzonden naar het betreffende adres van de verdachte. Uit de aangehechte informatiestaten SKDB-persoon van 16 augustus 2019 en 7 oktober 2019 volgt dat vanaf 12 november 2018 het BRP-adres van de verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats] was. Uit deze informatiestaat volgt tevens dat het adres [a-straat 1] te [plaats] , het adres dat de verdachte had opgegeven bij het instellen van het beroep, het BRP-adres van de verdachte was van 19 mei 2017 tot 12 november 2018.
(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2019 houdt in dat de verdachte is verschenen, dat zij woont op het adres [b-straat 1] te [plaats] en dat de verdachte een verzoek om aanhouding van de zaak doet wegens – kort gezegd – het ontbreken van rechtsbijstand. Het hof heeft vervolgens de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en overwogen dat de verdachte, de raadsman en de benadeelde partij een nieuwe oproeping zullen ontvangen.
(v) De oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2020 is op 8 juni 2020 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, nadat het eerder op 8 en 13 mei 2020 niet was gelukt de oproeping uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats] , omdat op dat adres niemand aanwezig was of bereid was de gerechtelijke brief aan te nemen. Op de akte van uitreiking is vermeld dat 8 juni 2020 tevens een afschrift van de oproeping is verzonden naar het betreffende adres. Aan de oproeping zijn Informatiestaten SKDB-persoon gehecht van 29 april 2020 en 22 juni 2020 waaruit blijkt dat vanaf 12 november 2018 het BRP-adres van de verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats] was.
(vi) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2020 houdt in dat de verdachte en haar raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof niet zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt voorts in dat de raadsvrouw van de verdachte schriftelijk heeft verzocht de zaak aan te houden en dat het hof voorafgaand aan de zitting aan de raadsvrouw heeft bericht dat het verzoek ter zitting zou worden toegewezen. Het hof heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
(vii) Vervolgens is de verdachte opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 3 november 2020. Deze oproeping is op 8 oktober 2020 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, nadat het op 18 en 22 september 2020 niet was gelukt de oproeping uit te reiken op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Ik merk op dat de akte van uitreiking niet inhoudt dat tevens een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het betreffende adres.Dat hangt samen met de omstandigheid dat op de akte is aangekruist dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is. Bij de akte van uitreiking bevindt zich niet een Informatiestaat SKDB-persoon.
(viii) Een e-mailbericht van [verbalisant] , hoofdagent van de Politie Oost-Nederland, Veluwe-Noord, van 22 oktober 2020, gericht aan de ‘Zittingsvoorbereiding’ van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden houdt, voor zover van belang, het volgende in:
‘Hierbij de Akte van Uitreiking in bovenstaande zaak. Is niet uitgereikt want mevrouw lag in het ziekenhuis in Groningen. Haar wel telefonisch gesproken en was al op de hoogte van deze terechtzitting. Zij gaf aan niet te komen’.
Bij het e-mailbericht is als bijlage een akte van uitreiking gevoegd. Uit de akte van uitreiking volgt dat op 22 oktober 2020 is getracht de oproeping om op 3 november 2020 in hoger beroep te verschijnen uit te reiken op het adres [c-straat 1] te [plaats] , maar dat op dat adres niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Op 22 oktober 2020 is de oproeping vervolgens uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Op diezelfde dag is een afschrift van de oproeping verzonden aan het betreffende adres van de verdachte; daarbij is abusievelijk aangekruist dat het op de akte vermelde adres een adres in het buitenland is. Op de eerste bladzijde van de akte van uitreiking staat voorts handgeschreven de volgende tekst:
‘Mevrouw telefonisch gesproken, wist al van de zitting af. Ligt momenteel in het ziekenhuis in Groningen. Niet van plan om te komen’.
(ix) In het dossier bevinden zich voorts Informatiestaten SKDB-persoon van 16 oktober 2020 en 3 november 2020 waaruit volgt dat vanaf 16 september 2020 het BRP-adres van de verdachte het adres [c-straat 1] te [plaats] is.
(x) Een brief van mr. J.N.A. Dijkman, advocaat te Amsterdam, van 29 oktober 2020 gericht aan het Ressortsparket, vestiging Arnhem-Leeuwarden houdt, voor zover van belang, het volgende in:
‘Tot mij heeft zich gewend mevrouw [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende te [plaats] aan de [b-straat 1] .
(…)
Bij cliënte is begin september 2020 een zeer ernstige vorm van uitgezaaide keelkanker vastgesteld. Verder onderzoek heeft uitgewezen dat cliënte een levensbedreigende variant heeft, waarbij direct medische behandeling noodzakelijk is gebleken. Cliënte is hiertoe begin oktober een intensieve chemokuur gestart. Afgelopen week, donderdag 20 oktober jl., is bij cliënte vastgesteld dat zij in reactie op deze chemokuur een uiterst zeldzame reactie heeft gekregen, met een acuut nierfalen. Als gevolg hiervan is cliënte met ingang van zondag 25 oktober voor onbepaalde tijd opgenomen in het Gronings Medisch Centrum. Cliënte zal als gevolg hiervan niet aanwezig kunnen bij de ingeplande zitting van dinsdag 3 november 2020 van 14.10 uur van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem.’
(xi) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2020 houdt in dat de verdachte niet is verschenen en dat ook geen advocaat is verschenen. De voorzitter heeft medegedeeld dat er geen grieven tegen het vonnis zijn ingediend.
(xii) Bij arrest van 3 november 2020 is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep, omdat de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.
5. Art. 432 Sv Pro luidt sinds 1 januari 2020 als volgt: [1]
‘1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.
3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij
a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.’
6. In de onderhavige zaak volgt uit de stukken van het geding dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep zowel op 21 oktober 2019 als op 6 juli 2020 voor onbepaalde tijd is geschorst. De oproeping voor de nadere terechtzitting van 3 november 2020 is vervolgens niet in persoon betekend. De vraag is evenwel of zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
7. Van een dergelijke omstandigheid is sprake als uit een mededeling van de verdachte volgt dat de zitting bij de verdachte bekend was, bijvoorbeeld door een verzoek tot aanhouding van de zitting of een mededeling dat de verdachte niet in staat is ter terechtzitting aanwezig te zijn. Ook uit mededelingen van een derde, zoals de raadsman van de verdachte, de gemachtigde van de verdachte, een familielid of een reclasseringsambtenaar, kan volgen dat de verdachte van de zitting op de hoogte was. In HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1021,
NJ1998/630 bijvoorbeeld had de verdachte niet binnen twee weken hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de kantonrechter. De vertegenwoordiger van de verdachte had in hoger beroep verklaard: ‘De dagvaarding om ter terechtzitting van de Kantonrechter te verschijnen in deze zaak heeft hem wel bereikt, maar hij is toen de datum vergeten’. Uw Raad oordeelde dat uit deze verklaring voortvloeide dat de dag van de terechtzitting van de Kantonrechter aan de verdachte tevoren bekend was, zodat het hoger beroep binnen veertien dagen na de dag van de einduitspraak had moeten worden ingesteld. Vereist is daarbij wel dat duidelijk wordt dat de verdachte tevoren op de hoogte is geraakt van de dag van de terechtzitting. [2]
8. Dat de dag van de terechtzitting tevoren aan de verdachte bekend was kan ook worden afgeleid uit de omstandigheid dat een verbalisant de inhoud van een dagvaarding voor een terechtzitting aan een verdachte heeft medegedeeld. [3] Dat in de onderhavige zaak sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, kan tegen die achtergrond reeds worden afgeleid uit het e-mailbericht van 22 oktober 2020 van de hoofdagent gericht aan het ressortsparket, en de daarmee overeenkomende aantekening op de voorzijde van de akte van uitreiking voor de zitting van 3 november 2020, inhoudende dat de hoofdagent de verdachte telefonisch heeft gesproken, dat de verdachte reeds van de zitting afwist maar dat zij niet van plan was te komen.
9. Daarnaast is ook de brief van mr. J.N.A. Dijkman van 29 oktober 2020 aan het Ressortsparket van belang. Mr. Dijkman geeft daarin aan dat de verdachte zich tot hem heeft gewend. Hij schrijft – kort gezegd – dat de verdachte met ingang van 25 oktober 2020 voor onbepaalde tijd wordt opgenomen in het Gronings Medisch Centrum en als gevolg daarvan niet aanwezig zal kunnen zijn op de zitting van 3 november 2020. [4] Nu uit de brief volgt dat mr. Dijkman deze informatie gekregen heeft van de verdachte, die zich tot hem heeft gewend, kan ook uit deze brief worden afgeleid dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
10. Een en ander brengt mee dat de verdachte ingevolge art. 432, derde lid, onder b, Sv uiterlijk binnen 14 dagen na het arrest van het hof van 3 november 2020 beroep in cassatie kon instellen. Namens de verdachte is op 26 november 2020 cassatie ingesteld. Dat betekent dat de termijn voor het instellen van cassatie is overschreden. Dat leidt er in beginsel toe dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het ingestelde cassatieberoep. Dat zou evenwel anders kunnen zijn in geval van verontschuldigbare termijnoverschrijding.
11. Een grond voor verontschuldigbare termijnoverschrijding kan onder meer zijn een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig het openstaande rechtsmiddel in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat kan worden geïllustreerd met HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1161. Het hof had in die zaak geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verschoonbaar was, nu niet was gebleken ‘dat verdachte aan een zodanige psychische stoornis leed dat hij niet in staat was om zich op de hoogte te (laten) stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak en om te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld.’ Uw Raad overwoog evenwel dat dit oordeel ontoereikend gemotiveerd was ‘(i)n het licht van de – mede onder verwijzing naar de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], woonbegeleider forensische psychiatrie bij de Parnassia Groep – aangevoerde omstandigheden, onder meer inhoudende dat de verdachte met ingang van 2 mei 2018 was opgenomen in een forensisch beschermde woonvorm met 24-uurs begeleiding, dat de verdachte daar ook verbleef ten tijde van het verstrijken van de appeltermijn, hij niet zelfstandig de locatie mocht verlaten, het door de verdachte deelnemen aan de rechtszitting uit oogpunt van mentale zorg onwenselijk werd geacht en hij wegens zijn mentaal instabiele toestand zijn rechtspositie niet kon overzien en mede in aanmerking genomen dat de verdachte in eerste aanleg geen rechtskundige bijstand had’. [5]
12. Niet ondenkbaar is wellicht dat een ziekenhuisopname als gevolg van een ernstige ziekte onder bijzondere omstandigheden de overschrijding van de termijn voor het instellen van cassatieberoep verontschuldigbaar kan maken. In dat geval mag evenwel worden verwacht dat in cassatie wordt aangevoerd dat en waarom de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, en dat dit standpunt – indien de grond voor verschoonbaarheid niet uit de stukken van het geding blijkt – toereikend wordt onderbouwd. [6] In de onderhavige zaak is in de cassatieschriftuur geen aandacht besteed aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en is (derhalve) ook geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar kan doen zijn.
13. De verdachte is niet-ontvankelijk in het ingestelde cassatieberoep. Ik kom daarom aan de bespreking van het middel niet toe. In het geval Uw Raad anders over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep denkt, word ik graag in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen.
14. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.De Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (
2.Zie HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:61 en HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2316,
3.Vgl. HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1160,
4.Zie in dit verband ook HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1541,
5.Vgl. ook HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064,
6.Vgl. HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9183,