Uitspraak
wonende te [woonplaats], België,
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 februari 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of Unilever aansprakelijk kon worden gehouden voor de gezondheidsschade die eiser had opgelopen door blootstelling aan schadelijke stoffen tijdens zijn dienstverband. Eiser stelde dat de werkgever onvoldoende maatregelen had genomen om de risico's te beperken, en vorderde schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW Pro.
De zaak was een vervolg op eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2000 en arresten van het gerechtshof Den Haag uit 2003 en 2013. Het hof had het beroep van eiser afgewezen, waarbij het deskundigenonderzoek en de bewijswaardering centraal stonden.
Eiser stelde in cassatie klachten in tegen de vraagstelling van het deskundigenonderzoek en de motivering van het bewijswaarderingsoordeel door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het vonnis van het hof bekrachtigd, waarmee Unilever niet aansprakelijk werd gehouden voor de gestelde schade.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.