ECLI:NL:HR:2015:295

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2015
Publicatiedatum
12 februari 2015
Zaaknummer
13/04465
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:658 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in cassatie inzake werkgeversaansprakelijkheid blootstelling schadelijke stoffen

In deze zaak stond de vraag centraal of Unilever aansprakelijk kon worden gehouden voor de gezondheidsschade die eiser had opgelopen door blootstelling aan schadelijke stoffen tijdens zijn dienstverband. Eiser stelde dat de werkgever onvoldoende maatregelen had genomen om de risico's te beperken, en vorderde schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW Pro.

De zaak was een vervolg op eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2000 en arresten van het gerechtshof Den Haag uit 2003 en 2013. Het hof had het beroep van eiser afgewezen, waarbij het deskundigenonderzoek en de bewijswaardering centraal stonden.

Eiser stelde in cassatie klachten in tegen de vraagstelling van het deskundigenonderzoek en de motivering van het bewijswaarderingsoordeel door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het vonnis van het hof bekrachtigd, waarmee Unilever niet aansprakelijk werd gehouden voor de gestelde schade.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

13 februari 2015
Eerste Kamer
nr. 13/04465
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], België,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
UNILEVER NEDERLAND HOLDINGS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Unilever.

1.Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusverre verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het arrest in de zaak C98/273HR van de Hoge Raad van 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369;
b. de arresten in de zaak met rolnummer 01/204 en zaaknummer 105.000.349/02 van het gerechtshof Den Haag van 26 maart 2003 en 7 mei 2013.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het tweede geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Unilever heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 29 december 2014 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Unilever begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 februari 2015.