Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van een verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag. De kern van het geschil betreft de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding in hoger beroep.
Uit de stukken blijkt dat de dagvaarding niet is uitgereikt aan het adres dat de verdachte schriftelijk als woonadres had opgegeven in de bijzondere volmacht, terwijl dit adres niet door een latere opgave was achterhaald. De dagvaarding werd uitgereikt aan de griffier omdat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats had, maar er was geen poging gedaan om de dagvaarding aan het opgegeven adres te betekenen.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat onbekendheid met een woon- of verblijfplaats niet mag worden aangenomen als niet is getracht de dagvaarding aan het voor de hand liggende adres te betekenen. Omdat deze poging ontbrak, oordeelt de Hoge Raad dat de betekening niet rechtsgeldig was en verklaart de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig. Het arrest van het hof wordt vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de appeldagvaarding nietig wegens onjuiste betekening.