ECLI:NL:PHR:2015:1940

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2015
Publicatiedatum
21 september 2015
Zaaknummer
14/05151
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 416 lid 2 SvArt. 450 lid 1 en 3 SvArt. 588 lid 1 onder b sub 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid appeldagvaarding wegens gebrekkige betekening aan verdachte

De verdachte is bij verstek veroordeeld door de kantonrechter Rotterdam wegens overtreding van artikel 30 lid 4 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de appeldagvaarding rechtsgeldig zou zijn betekend. De verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing.

Uit het dossier blijkt dat de appeldagvaarding werd uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag omdat geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend was. Pogingen om de dagvaarding uit te reiken op eerdere adressen van de verdachte in Rotterdam mislukten omdat de woning niet bestond. Echter, de verdachte had bij het instellen van het hoger beroep een schriftelijke bijzondere volmacht verstrekt met een ander adres in Sliedrecht, waar niet is geprobeerd de dagvaarding te betekenen.

De Hoge Raad overweegt dat de betekening niet rechtsgeldig kan zijn als niet is getracht de dagvaarding te betekenen op een voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald adres dat redelijkerwijs als woon- of verblijfplaats kan gelden. Omdat dit niet is gebeurd, is de appeldagvaarding nietig verklaard. De bestreden uitspraak van het hof wordt vernietigd, maar de zaak wordt niet ambtshalve vernietigd door de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de appeldagvaarding nietig en vernietigt het arrest van het hof wegens gebrekkige betekening.

Conclusie

Nr. 14/05151
Zitting: 1 september 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 16 januari 2014 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam van 27 juni 2013, waarbij de verdachte wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet Pro aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” bij verstek is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. Deze zaak hangt samen met een andere zaak tegen de verdachte (nr. 14/05150), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. N. Flikkenschild, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelbehelst de klacht dat het hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte geldig heeft verklaard.
5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam heeft de verdachte bij verstek gewezen vonnis van 27 juni 2013 veroordeeld. Dit vonnis vermeldt als adres van de verdachte [d-straat 1] in Rotterdam. Dit betreft het adres dat de verdachte op 12 december 2012 bij zijn verhoor door de politie heeft opgegeven.
(ii) De verdachte heeft door middel van een e-mailbericht van 10 september 2013 een schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450, derde lid, Sv, in verbinding met art. 450, eerste lid, aanhef en onder b, Sv, verleend aan een medewerker van de strafgriffie van de Rechtbank Rotterdam om namens hem hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter. Vervolgens is op diezelfde datum de “akte instellen hoger beroep” opgemaakt, waaraan een uitdraai van de bijzondere volmacht is gehecht. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte [d-straat 1] in Rotterdam. De schriftelijke bijzondere volmacht vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in Sliedrecht.
(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof Den Haag van 16 januari 2014 is op 27 november 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Daarnaast is de appeldagvaarding op 2 december 2013 tevergeefs aangeboden op het adres [b-straat 1] in Rotterdam, doch niet uitgereikt omdat de woning niet zou bestaan. Vervolgens is de appeldagvaarding op 6 december 2013 nogmaals uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is op 6 december 2013 een afschrift van de dagvaarding verzonden naar voornoemd adres in Rotterdam.
(iv) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 6 december 2013, 25 november 2013 en 21 november 2013 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 17 september 2012 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”), dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (met als datum registratie 6 maart 2013) [b-straat 1] in Rotterdam was, dat hij vanaf 25 juni 2010 tot 17 september 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Rotterdam en dat hij vanaf 1 november 2004 tot 25 juni 2010 in de GBA stond ingeschreven op het adres [d-straat 1] in Rotterdam.
(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2014 blijkt dat de verdachte niet op die terechtzitting is verschenen en dat namens hem evenmin een raadsman is verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en heeft vervolgens bij arrest van diezelfde datum de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het proces-verbaal vermeldt geen adres van de verdachte (“zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande”).
(vi) De mededeling uitspraak van het hof is op 10 februari 2014 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. De aan de verstekmededeling gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 10 februari 2014 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 17 september 2012 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”). Vervolgens is de mededeling uitspraak op 7 september 2014 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een politiebureau in Rotterdam.
(vii) De aan de aanzegging in cassatie gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 12 december 2014 en 26 november 2014 houden in dat de verdachte vanaf 17 september 2012 tot 16 oktober 2014 niet stond ingeschreven in de GBA (adres onbekend) en dat hij met ingang van 16 oktober 2014 in de GBA stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] in Dordrecht.
6. Ingevolge art. 588, eerste lid, onder b, sub 3°, Sv wordt de appeldagvaarding uitgereikt aan de griffier wanneer de verdachte niet is gedetineerd, hij niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, van hem geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en van hem geen adres in het buitenland bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de appeldagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Daarbij kan worden gedacht aan het adres dat de verdachte bij het instellen van het hoger beroep heeft opgegeven en - indien hij daarbij geen woon- of verblijfplaats heeft opgegeven - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven. [1]
7. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de appeldagvaarding op 6 december 2013 overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 3º, Sv rechtsgeldig is betekend.
8. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan het hiervoor onder 5 sub ii vermelde adres, dat de verdachte bij het instellen van het hoger beroep in zijn - aan de appelakte gehechte - schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker heeft opgegeven ([a-straat 1] in Sliedrecht). Daaruit blijkt evenmin dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan het in de appelakte vermelde adres van de verdachte ([d-straat 1] in Rotterdam). Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Gelet hierop en in het licht van hetgeen hiervoor onder 6 is voorop gesteld, is het oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad kan de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren. [2]
9. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de appeldagvaarding.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
2.Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2193, rov. 2, HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1628, rov. 2, HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9076, rov. 2, HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3678, rov. 2, HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5022, rov. 3, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3320, rov. 3 en HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1706, rov. 3.