Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte geldig heeft verklaard.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is bij verstek veroordeeld door de kantonrechter Rotterdam wegens overtreding van artikel 30 lid 4 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de appeldagvaarding rechtsgeldig zou zijn betekend. De verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing.
Uit het dossier blijkt dat de appeldagvaarding werd uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag omdat geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend was. Pogingen om de dagvaarding uit te reiken op eerdere adressen van de verdachte in Rotterdam mislukten omdat de woning niet bestond. Echter, de verdachte had bij het instellen van het hoger beroep een schriftelijke bijzondere volmacht verstrekt met een ander adres in Sliedrecht, waar niet is geprobeerd de dagvaarding te betekenen.
De Hoge Raad overweegt dat de betekening niet rechtsgeldig kan zijn als niet is getracht de dagvaarding te betekenen op een voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald adres dat redelijkerwijs als woon- of verblijfplaats kan gelden. Omdat dit niet is gebeurd, is de appeldagvaarding nietig verklaard. De bestreden uitspraak van het hof wordt vernietigd, maar de zaak wordt niet ambtshalve vernietigd door de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de appeldagvaarding nietig en vernietigt het arrest van het hof wegens gebrekkige betekening.