5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam heeft de verdachte bij verstek gewezen vonnis van 27 juni 2013 veroordeeld. Dit vonnis vermeldt als adres van de verdachte [d-straat 1] in Rotterdam. Dit betreft het adres dat de verdachte op 12 december 2012 bij zijn verhoor door de politie heeft opgegeven.
(ii) De verdachte heeft door middel van een e-mailbericht van 10 september 2013 een schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450, derde lid, Sv, in verbinding met art. 450, eerste lid, aanhef en onder b, Sv, verleend aan een medewerker van de strafgriffie van de Rechtbank Rotterdam om namens hem hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter. Vervolgens is op diezelfde datum de “akte instellen hoger beroep” opgemaakt, waaraan een uitdraai van de bijzondere volmacht is gehecht. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte [d-straat 1] in Rotterdam. De schriftelijke bijzondere volmacht vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in Sliedrecht.
(iii) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof Den Haag van 16 januari 2014 is op 27 november 2013 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Daarnaast is de appeldagvaarding op 2 december 2013 tevergeefs aangeboden op het adres [b-straat 1] in Rotterdam, doch niet uitgereikt omdat de woning niet zou bestaan. Vervolgens is de appeldagvaarding op 6 december 2013 nogmaals uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Voorts is op 6 december 2013 een afschrift van de dagvaarding verzonden naar voornoemd adres in Rotterdam.
(iv) De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 6 december 2013, 25 november 2013 en 21 november 2013 houden in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 17 september 2012 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”), dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (met als datum registratie 6 maart 2013) [b-straat 1] in Rotterdam was, dat hij vanaf 25 juni 2010 tot 17 september 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Rotterdam en dat hij vanaf 1 november 2004 tot 25 juni 2010 in de GBA stond ingeschreven op het adres [d-straat 1] in Rotterdam.
(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2014 blijkt dat de verdachte niet op die terechtzitting is verschenen en dat namens hem evenmin een raadsman is verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en heeft vervolgens bij arrest van diezelfde datum de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het proces-verbaal vermeldt geen adres van de verdachte (“zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande”).
(vi) De mededeling uitspraak van het hof is op 10 februari 2014 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. De aan de verstekmededeling gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 10 februari 2014 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 17 september 2012 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vetrokken Onbekend Waarheen (VOW)”). Vervolgens is de mededeling uitspraak op 7 september 2014 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een politiebureau in Rotterdam.
(vii) De aan de aanzegging in cassatie gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 12 december 2014 en 26 november 2014 houden in dat de verdachte vanaf 17 september 2012 tot 16 oktober 2014 niet stond ingeschreven in de GBA (adres onbekend) en dat hij met ingang van 16 oktober 2014 in de GBA stond ingeschreven op het adres [c-straat 1] in Dordrecht.