Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:2993

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2015
Publicatiedatum
7 oktober 2015
Zaaknummer
14/05835
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 95 WfsvArt. 96 WfsvArt. 5.4 lid 1 Regeling WfsvOnderdeel 52 lid 4 Bijlage 1 Regeling Wfsv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak over sectorindeling uitzendbureau in sociale verzekeringspremies

Belanghebbende, een uitzendbureau dat personeel uitsluitend ter beschikking stelt aan de gemeente waarvan zij ook volledig eigendom is, was aanvankelijk ingedeeld in sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III) voor premieheffing werknemersverzekeringen. Belanghebbende verzocht om indeling in sector 66 (Overheid, overige instellingen). De Inspecteur wees dit verzoek af en plaatste belanghebbende in sector 52 (Uitzendbedrijven).

Het hof oordeelde dat belanghebbende vanwege de aard van haar werkzaamheden en haar maatschappelijke functie in dezelfde sector als de gemeente (sector 64, Overheid) moest worden ingedeeld. Het hof baseerde dit op de inhoudelijke werkzaamheden en de nauwe relatie met de gemeente.

De Hoge Raad stelde echter vast dat voor de sectorindeling van uitzendbureaus niet de aard van de werkzaamheden, maar de aard van de arbeidsovereenkomsten bepalend is. Het hof had deze laatste niet voldoende onderzocht en hanteerde een onjuiste rechtsopvatting. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de juiste maatstaven.

De Hoge Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en sprak het arrest uit op 9 oktober 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.

Uitspraak

9 oktober 2015
nr. 14/05835
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 17 oktober 2014, nr. BK-14/00260, op het beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende), betreffende de sectorindeling als bedoeld in de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Regeling Wfsv). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 12 mei 2015 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en verwijzing.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende stelt personeel ter beschikking aan haar enige opdrachtgever, de gemeente [Q]. De gemeente houdt alle aandelen in belanghebbende.
2.1.2.
Belanghebbende neemt alleen door de gemeente [Q] geselecteerde personen in dienst. In het bijzonder gaat het om personen met enige “afstand tot de arbeidsmarkt”. De arbeidsovereenkomsten bevatten geen uitzendbeding. Het personeelsbestand varieert naar gelang het (werkgelegenheids)beleid van de gemeente.
2.1.3.
Voor de premieheffing werknemersverzekeringen was belanghebbende aanvankelijk ingedeeld in sector 45, Zakelijke Dienstverlening III, van de Regeling Wfsv. Bij brief van 24 september 2013 heeft belanghebbende de Inspecteur bericht dat die indeling naar haar mening niet meer juist is en dat indeling in sector 66, Overheid, overige instellingen, is aangewezen.
2.1.4.
Bij beschikking van 11 december 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende per 1 januari 2014 ingedeeld in sector 52, Uitzendbedrijven, risicopremiegroep 09. Het het verzoek van belanghebbende om toepassing van artikel 5.4, lid 1, van de Regeling Wfsv is door de Inspecteur afgewezen.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende gelet op de aard van haar werkzaamheden en gelet op de functie die zij met haar onderneming in het maatschappelijke verkeer vervult, ook onder toepassing van de aansluitingsregeling van artikel 5.4, lid 1, van de Regeling Wfsv, zou moeten worden ingedeeld in dezelfde sector als de gemeente [Q], te weten sector 64, Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen. Het heeft hiertoe redengevend geacht dat belanghebbende zich uitsluitend bezig houdt met het ter beschikking stellen van personeel aan de gemeente [Q], welk personeel gemeentelijke taken uitvoert en ook op de specifieke behoeften van de gemeente is afgestemd, waardoor het personeel in feite op één lijn is te stellen met gemeentelijk personeel.
2.3.1.
Bij de beoordeling van het tegen dit oordeel van het Hof gerichte middel dient te worden vooropgesteld dat voor de sectorindeling van uitzendbureaus niet de aard van de werkzaamheden, maar de aard van de met de werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten bepalend is (zie HR 9 januari 2015, nr. 14/00986, ECLI:NL:HR:2015:33, BNB 2015/88).
2.3.2.
Met zijn oordeel dat de aard van de werkzaamheden en de functie van de onderneming van belanghebbende redengevend zijn voor indeling in sector 64, heeft het Hof een andere en dus onjuiste rechtsopvatting gevolgd. Dientengevolge is de aard van de door belanghebbende met de werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten niet of onvoldoende onderzocht.
2.3.3.
Het voorgestelde middel slaagt in zoverre. Verwijzing moet volgen ter beantwoording van de vraag of met inachtneming van het vorenoverwogene is voldaan aan de voorwaarden voor de indeling van belanghebbende in sector 52. Opmerking verdient dat uit het hiervoor in onderdeel 2.3.1 genoemde arrest (BNB 2015/88) volgt dat indien toepassing van onderdeel 52 van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv op belanghebbende zou leiden tot aansluiting bij de sector Uitzendbedrijven, concernaansluiting als bedoeld in artikel 5.4 van de Regeling Wfsv, waar belanghebbende om heeft verzocht, niet mogelijk is.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2015.