Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
9 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De Procureur-Generaal heeft verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De advocaat van verzoekers heeft hierop gereageerd.
De Hoge Raad overweegt dat de klachten die verzoekers aanvoeren geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoekers klaarblijkelijk onvoldoende belang hebben bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit oordeel is in lijn met het standpunt van de Procureur-Generaal.
Op basis van artikel 80a lid 1 RO en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Van den Brink en Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Groot op 9 oktober 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-ontvankelijkheid van de klachten.