Uitspraak
namens
Stichting Behoud Industrieel Erfgoed
wonende te [woonplaats],
1.Het beklag
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
3.Beslissing
13 februari 2015.
Hoge Raad
Klager diende in 2012 een aangifte in over onregelmatigheden bij de afwikkeling van een faillissement en verzocht vervolging van de curator en een voormalig bestuurder. Na afwijzing van dit verzoek en een daaropvolgend beklag, deed klager in 2013 aangifte tegen een voormalig minister van Justitie, drie leden van het gerechtshof Den Haag en een griffier wegens vermeend ambtsmisbruik en inmenging van de politiek in de rechterlijke macht.
De officier van justitie gaf hieraan geen gevolg. Klager diende vervolgens in 2014 een beklag in bij het gerechtshof Den Haag over het niet vervolgen van deze personen. Het hof verklaarde zich onbevoegd en verwees de zaak naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beklag. Gelet op de Grondwet en relevante wetgeving is de Hoge Raad niet bevoegd om vervolging te bevelen van een voormalig minister, tenzij dit geschiedt bij Koninklijk Besluit of Tweede Kamerbesluit. Ook voor de gerechtshofleden en de griffier geldt dat zij niet onder de bijzondere bevoegdheid van de Hoge Raad vallen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
De oproeping van klager was niet vereist. De beschikking werd gegeven door de vice-president en vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: Het beklag over het niet vervolgen van de voormalig minister, gerechtshofleden en griffier wordt door de Hoge Raad kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.