Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het zevende en het achtste middel
4.Beoordeling van het negende middel
5.Beoordeling van het tiende middel
6.Slotsom
7.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit de diefstal van schilderijen uit het Frans Hals Museum te Haarlem. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte samen met anderen geldbedragen had verborgen, verplaatst, verworven en voorhanden had gehad, terwijl zij wisten dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen als witwassen had gekwalificeerd, verwijzend naar recente rechtspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen zelfstandige betekenis had toegekend aan het verwerven en voorhanden hebben, en dat deze klacht onvoldoende belang had om tot cassatie te leiden.
Verder klaagde de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar werd gedaan. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van vier jaar naar drie jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verwerpt het beroep voor het overige. Hiermee werd de straf verminderd wegens schending van het recht op een redelijke termijn.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.