Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, maar heeft geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn zoals voorgeschreven in art. 437, tweede lid, Sv.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het ontbreken van de schriftuur betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 13 oktober 2015.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van een schriftuur met middelen van cassatie.