ECLI:NL:HR:2015:3099

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2015
Publicatiedatum
16 oktober 2015
Zaaknummer
15/00688
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:414 BWArt. 7:417 lid 4 BWArt. 7:425 BWArt. 7:427 BWArt. 392 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële beslissing over huurbemiddeling en toepasselijkheid van art. 7:417 lid 4 BW

De zaak betreft een prejudiciële vraag over de juridische kwalificatie van een overeenkomst waarbij een verhuurder een huurbemiddelaar toestemming geeft om woonruimte kosteloos op een website te plaatsen. De Hoge Raad onderzoekt of deze overeenkomst als een lastgevingsovereenkomst of bemiddelingsovereenkomst in de zin van Boek 7 BW moet worden gezien en of art. 7:417 lid 4 BW Pro van toepassing is, die de bescherming van de huurder regelt.

De feiten betreffen een overeenkomst tussen Duinzigt Woonsservices B.V. en een verhuurder, waarbij de verhuurder de huurbemiddelaar kosteloos toestemming geeft om woonruimte op haar website te plaatsen. De huurder heeft via deze website contact gezocht en een huurovereenkomst gesloten, waarna de huurbemiddelaar courtage in rekening bracht. De huurder betwistte de verschuldigdheid van deze courtage op grond van art. 7:417 lid 4 BW Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat het plaatsen van woonruimte op de website van de huurbemiddelaar in beginsel kwalificeert als een bemiddelingsovereenkomst tussen verhuurder en huurbemiddelaar. Hierdoor is art. 7:417 lid 4 BW Pro van overeenkomstige toepassing via art. 7:427 BW Pro. Dit betekent dat de huurbemiddelaar geen loon kan vorderen van de huurder indien hij voor beide partijen optreedt. Een uitzondering geldt indien de huurbemiddelaar kan aantonen dat de website slechts als elektronisch prikbord fungeert, waarbij verhuurder en huurder rechtstreeks contact kunnen hebben zonder tussenkomst van de huurbemiddelaar.

De Hoge Raad verduidelijkt ook dat het niet uitmaakt of de huurbemiddelaar actief de verhuurder benadert of dat de verhuurder zelf de plaatsing meldt. Wel is van belang of in de advertentie contactgegevens van de verhuurder worden vermeld, zodat de potentiële huurder rechtstreeks contact kan opnemen. De uitspraak bevestigt de bescherming van huurders tegen dubbele bemiddelingskosten en verduidelijkt de toepassing van de relevante wettelijke bepalingen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het kosteloos plaatsen van woonruimte op een huurbemiddelaarwebsite een bemiddelingsovereenkomst is waarop art. 7:417 lid 4 BW van toepassing is, waardoor de huurbemiddelaar geen loon kan vorderen van de huurder indien hij voor beide partijen optreedt.

Uitspraak

16 oktober 2015
Eerste Kamer
15/00688
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
DUINZIGT WOONSERVICES B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
OPPOSANT in eerste aanleg,
advocaat in de prejudiciële procedure:
mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
[geopposeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
GEOPPOSEERDE in eerste aanleg,
advocaat in de prejudiciële procedure:
mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Duinzigt en [geopposeerde] .

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 3554808/RL EXPL 14-32726 van de kantonrechter Den Haag van 12 februari 2015.
Het vonnis van de rechtbank is aan deze beslissing gehecht.

2.De prejudiciële procedure

Bij voornoemd vonnis heeft de kantonrechter beslist dat aan de Hoge Raad op de voet van art. 392 Rv Pro de volgende prejudiciële vragen worden gesteld:
Kwalificeert de overeenkomst, al dan niet op schrift, waarbij een verhuurder met een huurbemiddelaar is overeengekomen dat deze verhuurder om niet, op een website van de huurbemiddelaar, de woonruimte of woonruimten, die deze verhuurder wenst te verhuren, vrijblijvend mag plaatsen en dat na plaatsing op deze website voor een ieder kenbaar is dat deze woonruimte of woonruimten, althans vooralsnog, te huur zijn als een lastgevingsovereenkomst tussen de verhuurder en de huurbemiddelaar als bedoeld in artikel 7:414 BW Pro en/of als een bemiddelingsovereenkomst tussen de verhuurder en de huurbemiddelaar als bedoeld in artikel 7:425 BW Pro, zodat artikel 7:417 lid 4 BW Pro in samenhang met artikel 7:427 BW Pro van toepassing is? Maakt het voor de beantwoording van deze vraag nog verschil uit of de huurbemiddelaar zelf actief de verhuurder benadert met het verzoek of hij/zij nog woonruimte te huur heeft die de huurbemiddelaar op zijn website wil plaatsen of dat de verhuurder aan de huurder meldt wanneer woonruimte op de website van de huurbemiddelaar kan worden geplaatst. Maakt het voor de beantwoording van deze vraag voorts nog verschil uit of de huurbemiddelaar in de advertentie van de woonruimte vermeldt dat de potentiële huurder contact dient op te nemen met de huurbemiddelaar - en geen contactgegevens van de verhuurder zelf zijn vermeld - of dat de potentiële huurder contact moet opnemen met de verhuurder of een andere huurbemiddelaar.
Duinzigt en [geopposeerde] hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv Pro ingediend en hebben hierna op elkaars schriftelijke opmerkingen gereageerd. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, zijn schriftelijke opmerkingen op de voet van art. 393 lid 2 Rv Pro ingediend door mr. M.E.M.G. Peletier namens het zelfstandig bestuursorgaan Autoriteit Consument en Markt (hierna ook: ACM). Duinzigt en [geopposeerde] hebben voorts hierop gereageerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot beantwoording van de prejudiciële vraag als omschreven onder 7.1 van deze conclusie.
De advocaat van Duinzigt heeft bij brief van 18 september 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Niet-inachtneming van art. 392 lid 2 Rv Pro

In strijd met art. 392 lid 2 Rv Pro heeft de kantonrechter partijen niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de formulering van de prejudiciële vragen. De kantonrechter overwoog daartoe dat beide partijen zich al over de wenselijkheid van het stellen van een prejudiciële vraag hadden uitgelaten en dat het voor beide partijen voldoende duidelijk moet zijn geweest welke vragen zouden worden gesteld. Zij heeft deze vragen niet eerst in een tussenvonnis aan partijen voorgelegd en heeft evenmin vastgesteld dat de precieze tekst van die vragen met beide partijen is besproken.
Deze gang van zaken is niet alleen in strijd met de wet, maar ook onwenselijk, zoals mede blijkt uit de omstandigheid dat Duinzigt en ACM de Hoge Raad hebben verzocht de gestelde vragen opnieuw te formuleren.
In de omstandigheden van het geval ziet de Hoge Raad echter geen aanleiding consequenties te verbinden aan de schending van voormelde wetsbepaling.

4.Beantwoording van de prejudiciële vragen

4.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden:
( i) Duinzigt is een bemiddelingsbureau voor de huur en verhuur van woningen.
(ii) Duinzigt heeft eind december 2013 een overeenkomst gesloten met Schildewoud Vastgoed CV (hierna: Schildewoud), een verhuurder van woonruimte. In de overeenkomst staat onder meer dat de verhuurder aan Duinzigt de niet-exclusieve toestemming geeft woonruimte van eerstgenoemde te presenteren aan potentiële huurders door publicatie op de website van Duinzigt of van Pararius of door andere media, en dat de verhuurder hiervoor geen tegenprestatie is verschuldigd.
(iii) [geopposeerde] was in 2014 op zoek naar een huurwoning. Zij heeft onder meer gezocht op de website van Pararius. In een e-mail van 29 maart 2014 heeft Pararius aan [geopposeerde] onder meer het volgende bericht:
“De volgende huurwoning wordt aangeboden op Pararius door Duinzigt Woonservice BV en matcht met uw zoekprofiel. Uw gegevens worden ook verstuurd naar dit kantoor. Uit ervaring blijkt dat u de meeste kans op succes heeft, als u direct contact opneemt met dit kantoor.
(…)
Adres huurwoning: [a-straat]
[plaats]
Prijs: € 650”.
(iv) [geopposeerde] heeft contact opgenomen met Duinzigt. Zij kon de te huren woning pas bezichtigen als zij zich als woningzoekende bij Duinzigt had ingeschreven. [geopposeerde] heeft dat gedaan. Zij heeft voorts p. 1 van de algemene voorwaarden van Duinzigt geparafeerd en de tweede en laatste pagina van de algemene voorwaarden voor akkoord getekend. In art. 17 van Pro de algemene voorwaarden staat dat [geopposeerde] , indien Duinzigt een woning voor haar huurt, eenmalig een courtage is verschuldigd, gelijk aan één maand huur.
( v) Op 18 april 2014 is een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen [geopposeerde] en Schildewoud met betrekking tot de woning aan de [a-straat] (1e etage).
(vi) Duinzigt heeft aan [geopposeerde] een bedrag van € 867,50 inclusief BTW in rekening gebracht. Op de factuur is voor dit bedrag de volgende omschrijving opgenomen: “Courtage (bemiddelingskosten) Adm. Kosten & Inschrijving”. [geopposeerde] heeft dit bedrag aan Duinzigt betaald.
4.2
In dit geding heeft [geopposeerde] gevorderd dat Duinzigt wordt veroordeeld tot terugbetaling aan haar van het hiervoor in 4.1 onder (vi) genoemde bedrag, met rente en kosten. [geopposeerde] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat Duinzigt op grond van het bepaalde in art. 7:417 lid 4 BW Pro geen recht heeft op loon. Duinzigt heeft betwist dat deze bepaling op de rechtsverhouding van partijen van toepassing is. Zij heeft aangevoerd dat zij alleen voor [geopposeerde] als bemiddelaar is opgetreden en dat zij [geopposeerde] voor de totstandkoming van de bemiddelingsovereenkomst erop heeft gewezen dat zij uitsluitend optreedt voor particuliere woonruimtezoekers, en dus niet voor verhuurders. Duinzigt geeft verhuurders die een woning willen verhuren enkel de mogelijkheid om deze woning kosteloos en vrijblijvend aan het publiek te presenteren. Aldus heeft zij ook in het onderhavige geval gehandeld in haar relatie met Schildewoud.
4.3
De werkwijze van Duinzigt komt erop neer dat zij de aspirant-verhuurder en -huurder van elkaar afschermt en het daardoor onmogelijk maakt dat zij rechtstreeks en zonder haar tussenkomst met elkaar in contact treden om over de totstandkoming van een huurovereenkomst te onderhandelen. Daardoor wordt de huurder die in de aangeboden woonruimte is geïnteresseerd, in een positie gebracht waarin hem praktisch geen andere mogelijkheid ten dienste staat dan de bemiddeling van Duinzigt te accepteren bij de totstandkoming van de beoogde huurovereenkomst, en dus ook de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Duinzigt te aanvaarden, met het daarin opgenomen courtagebeding.
4.4.1
Aldus komt tussen Duinzigt en de aspirant-huurder (in dit geval [geopposeerde] ) een bemiddelingsovereenkomst tot stand in de zin van art. 7:425 BW Pro.
4.4.2
Op de zojuist beschreven wijze komt voorts ook tussen Duinzigt en de aspirant-verhuurder (in dit geval Schildewoud) een bemiddelingsovereenkomst tot stand in de zin van art. 7:425 BW Pro. Van bemiddeling is in een context als de onderhavige in beginsel reeds sprake als iemand in opdracht of met goedvinden van een verhuurder, een door deze te verhuren woning op zijn website plaatst. Daarin ligt immers in beginsel een opdracht besloten om een huurovereenkomst tot stand te brengen tussen die verhuurder en een derde (de aspirant-huurder; zie evenzo de toelichting op het wetsontwerp Wijziging van artikel 417, vierde lid, en van artikel 427 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van het berekenen van dubbele bemiddelingskosten, Kamerstukken II 2014-2015, 34 207, nr. 3, p. 5).
4.4.3
Op deze bemiddelingsovereenkomst is, ingevolge art. 7:427 BW Pro, art. 7:417 lid 4 BW Pro overeenkomstig van toepassing. Laatstgenoemde bepaling houdt in, zakelijk weergegeven en voor zover in dit verband van belang, dat indien iemand optreedt als lasthebber van twee lastgevers die met elkaar een overeenkomst sluiten van huur en verhuur van een onroerende zaak of van een gedeelte daarvan, en één van de lastgevers een consument is, de lasthebber geen recht op loon heeft jegens de huurder. Van deze bepaling kan - behoudens een hier niet aan de orde zijnd geval - niet ten nadele van de huurder worden afgeweken. Hetzelfde geldt dus voor de bemiddelingsovereenkomst.
4.4.4
Weliswaar is naar de letter van art. 7:425 BW Pro pas van bemiddeling sprake als de bemiddelaar recht heeft op loon voor zijn werkzaamheden, maar dit staat niet in de weg aan de overeenkomstige toepassing van art. 7:417 lid 4 BW Pro op gevallen als het onderhavige. Het ontstaan van een aanspraak op loon is immers niet een noodzakelijke voorwaarde om van een bemiddelingsovereenkomst te kunnen spreken. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis zijn de woorden “tegen loon” slechts opgenomen om wetstechnische redenen, te weten dat afdeling 7.7.3 BW aanvankelijk als enige inhoudelijke bepaling het huidige art. 7:426 BW Pro bevatte, dat het loon bij bemiddeling regelt (T.M. p. 1011). In de gevallen als bedoeld in de art. 7:417 en Pro 7:418 BW, welke artikelen in art. 7:427 BW Pro van overeenkomstige toepassing zijn verklaard bij bemiddeling, is die voorwaarde niet op haar plaats, gelet op de met die artikelen beoogde bescherming. Dit wordt bevestigd door het hiervoor in 4.4.2 aangehaalde wetsontwerp. Hierin wordt voorgesteld aan art. 7:427 BW Pro een tweede zin toe te voegen, luidende:
“De artikelen 7:417 en 7:418 BW zijn mede van overeenkomstige toepassing, indien de tussenpersoon geen recht op loon heeft."
De toelichting op deze bepaling bevat onder meer de volgende passage:
“Die zin stelt buiten twijfel dat de artikelen 417 en 418 in geval van bemiddeling ook dan van overeenkomstige toepassing zijn, indien de bemiddelaar voor beide partijen optreedt, maar slechts van één van die partijen loon heeft bedongen, zodat de overeenkomst met de andere partij naar de letter niet volledig aan de omschrijving van de bemiddelingsovereenkomst in artikel 425 voldoet Pro. Ook artikel 417 lid 4 is Pro dan dus van overeenkomstige toepassing, ook al is de daar bedoelde verhuurder of verkoper aan de bemiddelaar geen loon, hoegenaamd ook, verschuldigd.”
(Kamerstukken II 2014-2015, 34 207, nr. 3, p. 4 en 5)
4.4.5
Art. 7:417 lid 4 BW Pro is echter in gevallen als hier bedoeld niet overeenkomstig van toepassing als de beheerder van de website stelt, en bij gemotiveerde betwisting bewijst, dat de website alleen als ‘elektronisch prikbord’ functioneert, dat wil zeggen dat de beheerder daarvan niet de aspirant-verhuurder en -huurder van elkaar afschermt en het hun dus niet onmogelijk maakt dat zij rechtstreeks en zonder zijn tussenkomst met elkaar in contact treden om over totstandkoming van een huurovereenkomst te onderhandelen.
4.5
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de prejudiciële vragen als volgt moeten worden beantwoord.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
beantwoordt de prejudiciële vragen als volgt:
( a) De overeenkomst, al dan niet op schrift, waarbij een verhuurder met een huurbemiddelaar is overeengekomen dat deze verhuurder om niet, op een website van de huurbemiddelaar, de woonruimte die deze verhuurder wenst te verhuren, vrijblijvend mag plaatsen en dat na plaatsing op deze website voor een ieder kenbaar is dat deze woonruimte te huur is, heeft in beginsel te gelden als een bemiddelingsovereenkomst tussen de verhuurder en de huurbemiddelaar als bedoeld in artikel 7:425 BW Pro. Op grond van art. 7:427 BW Pro is art 7:417 lid 4 BW Pro daarop dus van toepassing.
( b) Het maakt voor de beantwoording onder (a) geen verschil of de huurbemiddelaar zelf actief de verhuurder benadert met het verzoek of hij woonruimte te huur heeft die de huurbemiddelaar op zijn website wil plaatsen, of dat de verhuurder aan de huurbemiddelaar meldt dat de woonruimte op de website van de huurbemiddelaar kan worden geplaatst.
( c) Hetgeen hiervoor onder (a)-(b) is beslist, is anders indien de beheerder van de website stelt, en bij gemotiveerde betwisting bewijst, dat de website alleen als ‘elektronisch prikbord’ functioneert, dat wil zeggen dat de beheerder daarvan niet de aspirant-verhuurder en -huurder van elkaar afschermt en het hun dus niet onmogelijk maakt dat zij rechtstreeks en zonder zijn tussenkomst met elkaar in contact treden om over de totstandkoming van een huurovereenkomst te onderhandelen.
( d) Uit hetgeen hiervoor in (c) is vermeld volgt dat het voor de beantwoording onder (a) verschil maakt of de huurbemiddelaar in de advertentie van de woonruimte (website) vermeldt dat de potentiële huurder contact dient op te nemen met de verhuurder, mits diens contactgegevens in de advertentie zijn vermeld;
begroot de kosten van deze prejudiciële procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv Pro aan de zijde van beide partijen op € 1.800,-- aan salaris.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
16 oktober 2015.