Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 27 oktober 2015 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor moord met voorbedachte raad. De verdachte had zijn ex-partner op 6 juni 2013 in zijn woning te Rotterdam meerdere keren met een klauwhamer geslagen, haar bij de keel gegrepen, haar handen vastgebonden en haar mond en neus afgeplakt met tape. Het slachtoffer werd in buikligging achtergelaten en overleed door verstikking ten gevolge van het geweld.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van voorbedachte raad, maar van doodslag, omdat het handelen uit een plotselinge gemoedsopwelling zou zijn voortgekomen en de verdachte het slachtoffer niet met voorbedachte raad wilde doden. De Hoge Raad herhaalde de criteria voor voorbedachte raad en oordeelde dat het hof de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd, mede gelet op de langdurige tijdspanne, het samenstel van gedragingen en de verschillende beslismomenten.
Het hof had het handelen van de verdachte in twee fases onderscheiden: een eerste fase van een vechtpartij in plotselinge woede en een tweede fase waarin de verdachte het slachtoffer naar de slaapkamer sleepte, vastbond, afplakte en vervolgens urenlang alleen liet. De Hoge Raad achtte deze tweede fase voldoende om van voorbedachte raad te spreken. Het cassatieberoep faalde, waarmee de veroordeling voor moord met voorbedachte raad definitief bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte met voorbedachte raad moord heeft gepleegd en verwerpt het cassatieberoep.