ECLI:NL:HR:2015:3207

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 november 2015
Publicatiedatum
3 november 2015
Zaaknummer
13/04773
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder gevolgen voor strafoplegging

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad heeft het beroep grotendeels verworpen, maar constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Hoewel meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, acht de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn niet zodanig dat dit gevolgen heeft voor de strafoplegging. De opgelegde straf betrof een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad volgt daarmee de conclusie van de Advocaat-Generaal die vernietiging van de strafoplegging en vermindering daarvan voorstelde, maar het beroep voor het overige verwierp. De Hoge Raad beperkt zich tot het constateren van de termijnoverschrijding zonder verdere sancties.

Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 3 november 2015.

Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn maar verwerpt het cassatieberoep zonder gevolgen voor de voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak

3 november 2015
Strafkamer
nr. S 13/04773
CeH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 september 2013, nummer 20/001982-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. Th.J. Kelder en mr. E.M. Witjens, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 november 2015.