Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
(noot griffier: een kopie van die beslissing is aan dit proces-verbaal gehecht).
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het Centrum voor Werk en Inkomen en/of de gemeente Eindhoven. Het ging om het niet melden van het bezit van een garagebox, terwijl hij wist dat deze gegevens van belang waren voor zijn recht op bijstand. De veroordeling betrof een voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd.
In cassatie werden vier middelen voorgesteld. Het eerste middel werd gegrond verklaard omdat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat tot strafvermindering moest leiden. De overige middelen, waaronder betwisting van de bewijsvoering en het beroep op een bestuursrechtelijke beslissing die het bezwaarschrift van de verdachte gegrond verklaarde, werden verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet gebonden was aan de bestuursrechtelijke beslissing en dat het hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat de verdachte zijn inlichtingenplicht had geschonden.
De bewijsvoering bestond onder meer uit verklaringen van de verdachte zelf, waarin hij toegaf eigenaar te zijn van de garagebox en bewust onjuiste informatie te hebben verstrekt op aanvraagformulieren. De Hoge Raad bevestigde dat het opzettelijk nalaten van het verstrekken van gegevens strafbaar is wanneer de verdachte weet dat deze gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op uitkering.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot vernietiging van het arrest voor zover het de straf betreft, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens termijnoverschrijding en vermindert de straf; de veroordeling voor opzettelijk nalaten gegevensverstrekking blijft gehandhaafd.