Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
(artikel 386, eerste lid, Sv); de 'aanvulling of verbetering' kan later worden opgesteld.
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
10 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de wijziging van de tenlastelegging na intrekking van een strafbeschikking beperkt moet blijven tot wijzigingen van ondergeschikte of redactionele aard. De verdachte was aanvankelijk door middel van een strafbeschikking veroordeeld voor diefstal in vereniging, waarna hij verzet aantekende. Tijdens de terechtzitting werd door de Officier van Justitie een wijziging van de tenlastelegging voorgesteld, waarin een aanvullende gedraging werd toegevoegd.
De Politierechter vernietigde de strafbeschikking, verklaarde het tenlastegelegde bewezen en veroordeelde de verdachte tot een geldboete. Het Hof Den Haag oordeelde dat de wijziging van de tenlastelegging toelaatbaar was omdat de grenzen van artikel 68 Sr Pro niet werden overschreden en er geen sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel of het recht op een eerlijke behandeling.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. De Raad benadrukte dat de wijziging van de tenlastelegging niet beperkt hoeft te zijn tot redactionele wijzigingen, maar dat de toets aan artikel 68 Sr Pro bepalend is. Het arrest verduidelijkt de reikwijdte van de wijzigingsmogelijkheden binnen de verzetsprocedure tegen strafbeschikkingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de wijziging van de tenlastelegging na intrekking van een strafbeschikking binnen de grenzen van artikel 68 Sr is toegestaan.