Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie kon worden ontvangen in diens vordering tot wijziging tenlastelegging en dat deze wijziging toelaatbaar was, althans heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verzoeker. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat een op grond van art. 257f, derde lid, Sv in verbinding met art. 313 Sv Pro voorgestelde wijziging tenlastelegging in een zaak waarin aanvankelijk een strafbeschikking is uitgevaardigd beperkt dient te blijven tot wijzigingen van ondergeschikte aard. Daartoe wordt gewezen op het bijzondere karakter van de strafbeschikking, het belang van een verdachte bij het betrachten van zorgvuldigheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie gedurende het strafbeschikkingstraject, het belang van een verdachte bij afdoening door middel van een strafbeschikking (mede gelet op de consequenties voor het strafblad) en het onthouden aan de verdachte van de mogelijkheid om de zaak met verbeterde kwalificatie buiten rechte af te doen.
Niet-ontvankelijkheid OM
in casudan ook volgens de visie van het openbaar ministerie gegrond verzet ingesteld tegen de oorspronkelijk aangeboden strafbeschikking.
Artikel 257e
Samenvatting
4.Verzet
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte is gekomen tot een bewezenverklaring van een voltooide oplichting, nu daarvan gezien de wetenschap van de oplichtingshandelingen bij een van de medewerkers van het winkelbedrijf Hornbach geen sprake kan zijn. Met verwijzing naar aant. 2 bij art. 326 in Pro het Wetboek van Strafrecht van Noyon/Langemeijer/Remmelink en de conclusie van Procureur-Generaal Fokkens vóór HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6180, NJ 2007/366 wordt gesteld dat de kennis en waarnemingen van deze medewerker omtrent het handelen van verzoeker en zijn medeverdachte aan de rechtspersoon Hornbach dienen te worden toegerekend.
geschrift, zijnde een
aangifteformulier winkeldiefstal, d.d. 9 januari 2012, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene] , gemachtigd door de onderneming Hornbach filiaal Wateringen om aangifte te doen. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
proces—verbaal van bevindingend.d. 1 februari 2013 van de politie Haaglanden District Rijswijk/Westland met nr. PL1563 2012007170—14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
relaasvan de betreffende opsporingsambtenaren:
3.Een proces-verbaal van verhoor verdachted.d.
slijpschijven). Ik had een slijptol van 30 euro in mijn handen. [verdachte ] stond met een slijptol van rond de 50 euro in zijn handen. [verdachte ] zei mij in het Hindoestaans: "we ruilen de slijptollen om". Hierop deed [verdachte ] de duurdere slijptol in de doos met de goedkopere prijs. [verdachte ] en ik zijn samen naar de kassa gegaan en we hebben de spullen betaald.”
NJ1995, 46). Het gaat om een afgifte waarbij de 'afgever' dwaalt, en daarvan is hier niet sprake.”
poging tot oplichtingal dan niet doel trof.
kassamedewerkervan winkelbedrijf Hornbach door het bedrog van verzoeker en de medeverdachte is misleid; zonder de aanwending van het bedrieglijke middel zou de kassamedewerker de slijpschijf niet hebben afgegeven tegen betaling van het bedrag van de goedkopere slijpschijf. Het gaat hier dus om een afgifte waarbij de gever – de kassamedewerker - dwaalt. Dat een andere medewerker van Hornbach op beelden heeft gezien dat verzoeker en zijn medeverdachte de slijpschijven hadden omgewisseld, doet daar niet aan af. Hierbij neem ik in aanmerking dat de formulering van de tenlastelegging en de bewezenverklaring luidt: “(een medewerker van) winkelbedrijf Hornbach”. Aan een (verdere) bespreking van de toerekeningkwestie die het tweede middel opwerpt, kom ik om die reden niet toe.