Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het middel
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
4.Slotsom
5.Beslissing
10 november 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor bedreiging van een medewerker van de gemeente Huizen met de woorden "ik maak ze dood" en/of "ik ga ze vermoorden". De verdediging voerde aan dat het bewijs voor deze bedreiging niet wettig en overtuigend was, onder meer omdat de bedreiging indirect via een derde zou zijn overgekomen en er onduidelijkheid bestond over wie daadwerkelijk bedreigd was.
Het hof bevestigde de veroordeling, maar gaf niet in het bijzonder de redenen waarom het afweek van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het bewijs ontbrak. Dit vormde een schending van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, wat nietigheid tot gevolg heeft.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten motiveren waarom het bewijs wel voldoende was, gelet op de tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van directe bedreiging aan het slachtoffer. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
De zaak betreft de beoordeling van bewijs en motivering in een bedreigingszaak waarbij de verdachte ontkende de bedreigende uitlatingen te hebben gedaan en getuigenverklaringen uiteenliepen over de toedracht en ontvangers van de bedreiging.
De Hoge Raad benadrukte het belang van een deugdelijke motivering bij afwijking van een door de verdediging onderbouwd vrijspraakstandpunt, en bevestigde dat het ontbreken daarvan leidt tot nietigheid van het arrest.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens gebrek aan motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.