Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 november 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 juni 2014. Het beroep werd ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door mr. B.R. Koenders. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd op 10 november 2015 gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma. Het beroep werd verworpen en het arrest van het Gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof blijft in stand.