Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
17 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd wegens het niet opvolgen van een verblijfsontzegging opgelegd krachtens artikel 2:3 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit. Het hof had geoordeeld dat de verblijfsontzegging een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel is als bedoeld in artikel 184 Sr Pro en dat het besluit rechtmatig was omdat de verdachte geen bestuursrechtelijke procedure had gevolgd om het besluit aan te vechten.
De verdediging stelde dat de verblijfsontzegging geen rechtmatig bevel was, onder meer omdat de termijn van de ontzegging niet in overeenstemming was met de voorschriften en omdat de verdachte niet in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze te geven. De Hoge Raad herhaalt dat voor een veroordeling op grond van artikel 184 Sr Pro vereist is dat het bevel rechtmatig is gegeven en dat de strafrechter dit moet toetsen, ook als de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang.
De Hoge Raad constateert dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het besluit voor de strafrechter vaststaat vanwege het ontbreken van een bestuursrechtelijk beroep. Hierdoor is het hof tekortgeschoten in zijn motivering en toetsing van het verweer. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van de rechtmatigheid van bevelen die aan de verdachte worden gegeven, ook in het strafrechtelijke kader, en bevestigt dat bestuursrechtelijke procedures niet automatisch de strafrechterlijke toetsing vervangen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de rechtmatigheid van het bevel.