Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk niet voldoen aan een verwijderingsbevel uit een overlastgebied in Amsterdam, gegeven op grond van de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het hof sprak de verdachte vrij omdat het oordeelde dat de burgemeester niet bevoegd was om het bevel te geven zoals bedoeld in artikel 184 Sr Pro.
De Hoge Raad stelt vast dat hoewel artikel 2.9 APV niet expliciet de bevoegdheid van de burgemeester tot het geven van het verwijderingsbevel regelt, artikel 172 lid 3 van Pro de Gemeentewet de burgemeester wel degelijk bevoegd maakt om noodzakelijke bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester kan deze bevoegdheid mandateren aan politieambtenaren, mits de omstandigheden en grenzen duidelijk zijn omschreven.
Het Mandaatbesluit verwijderingsbevelen van 31 oktober 2008, waarin de burgemeester deze bevoegdheid aan de districtchef en diens ondergeschikten verleent, is een juiste uitoefening van deze bevoegdheid. Hierdoor is het door een politieambtenaar namens de burgemeester gegeven verwijderingsbevel aan te merken als een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel in de zin van artikel 184 Sr Pro.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting op basis van deze juiste rechtsopvatting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.