Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Utrecht,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene op grond van artikel 27 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Betrokkene was zonder toestemming uit het psychiatrisch ziekenhuis vertrokken en zijn verblijfplaats was onbekend. De rechtbank verleende de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling zonder betrokkene te hebben gehoord.
Betrokkene stelde in cassatie dat hij niet was opgeroepen om te worden gehoord, wat een schending van fundamentele rechtsbeginselen zou zijn. De Hoge Raad overwoog dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 29 lid 5 Wet Pro Bopz doorbroken kan worden indien essentiële vormen zijn verzuimd, zoals het niet horen van betrokkene.
De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het acuut en onmiddellijk dreigend gevaar dat betrokkene opleverde, en zijn onbekende verblijfplaats, het onmogelijk maakten hem voorafgaand aan de zitting op te roepen. De rechtbank had de duur van de machtiging beperkt tot twee weken en betrokkene moest alsnog worden gehoord zodra de vrijheidsbeneming werd hervat.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat in uitzonderlijke omstandigheden voortzetting van inbewaringstelling zonder voorafgaand verhoor mogelijk is, mits betrokkene later alsnog wordt gehoord.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voortzetting van de inbewaringstelling zonder voorafgaand verhoor vanwege acuut gevaar.