Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verleend op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).
Betrokkene klaagde dat de rechtbank weigerde het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken aan zijn advocaat, terwijl dit op grond van artikel 290 lid 2 Rv Pro verplicht is. De advocaat had herhaaldelijk verzocht om het afschrift, maar kreeg te horen dat dit alleen op verzoek van de Hoge Raad wordt verstrekt.
De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van het proces-verbaal niet afhankelijk mag zijn van het instellen van een rechtsmiddel en dat aan een verzoek daartoe onverwijld moet worden voldaan, vooral in zaken die vrijheidsbeneming betreffen. Omdat het proces-verbaal uiteindelijk na het verstrijken van de cassatietermijn alsnog is verstrekt en het cassatiemiddel is aangevuld, leidt het middel niet tot cassatie wegens gebrek aan belang.
De overige klachten behoeven geen nadere motivering. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de rechtsregel omtrent de verstrekking van proces-verbalen in BOPZ-zaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de plicht tot onverwijlde verstrekking van het proces-verbaal in BOPZ-zaken.