ECLI:NL:HR:2015:3336

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2015
Publicatiedatum
19 november 2015
Zaaknummer
15/03543
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 RvArt. 290 lid 2 RvArt. 5 EVRMWet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt plicht verstrekking afschrift proces-verbaal in BOPZ-zaken

In deze zaak gaat het om een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verleend op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).

Betrokkene klaagde dat de rechtbank weigerde het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken aan zijn advocaat, terwijl dit op grond van artikel 290 lid 2 Rv Pro verplicht is. De advocaat had herhaaldelijk verzocht om het afschrift, maar kreeg te horen dat dit alleen op verzoek van de Hoge Raad wordt verstrekt.

De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van het proces-verbaal niet afhankelijk mag zijn van het instellen van een rechtsmiddel en dat aan een verzoek daartoe onverwijld moet worden voldaan, vooral in zaken die vrijheidsbeneming betreffen. Omdat het proces-verbaal uiteindelijk na het verstrijken van de cassatietermijn alsnog is verstrekt en het cassatiemiddel is aangevuld, leidt het middel niet tot cassatie wegens gebrek aan belang.

De overige klachten behoeven geen nadere motivering. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de rechtsregel omtrent de verstrekking van proces-verbalen in BOPZ-zaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de plicht tot onverwijlde verstrekking van het proces-verbaal in BOPZ-zaken.

Uitspraak

20 november 2015
Eerste Kamer
15/03543
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
de OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
zetelende te Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C10/473758 FA RK 15-2777 van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2015.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 9 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Op 10 april 2015 heeft de officier van justitie verzocht om op de voet van de art. 15 e.v. Wet Bopz een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank heeft de machtiging verleend voor de periode tot 11 april 2016.
3.2
Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank niet heeft willen voldoen aan het herhaalde verzoek van de advocaat van betrokkene om afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken. Aan de advocaat is medegedeeld, aldus het onderdeel, dat processen-verbaal ingevolge beleidsafspraken slechts op verzoek van de Hoge Raad worden verstrekt. Aldus handelt de rechtbank volgens het onderdeel in strijd met het bepaalde in art. 290 lid 2 Rv Pro, alsook met art. 5 EVRM Pro.
Betrokkene heeft primair verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank met de uitdrukkelijke opdracht het proces-verbaal te verstrekken. Het subsidiaire verzoek strekt tot het mogen aanvullen van het cassatiemiddel zodra alsnog afschrift van het proces-verbaal is ontvangen.
3.3.1
Ingevolge art. 279 lid 4 Rv Pro wordt van het ter mondelinge behandeling verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen een proces-verbaal opgemaakt. Art. 290 lid 2 Rv Pro bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal verstrekt aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Deze voorschriften strekken onder meer ertoe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan.
Aan voormelde voorschriften komt extra gewicht toe in zaken waarin de beslissing strekt tot vrijheidsbeneming (vgl. HR 14 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5193, NJ 1986/400).
3.3.2
In het aanvullend verzoekschrift heeft de advocaat van betrokkene vermeld dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 31 juli 2015 – daags na het verstrijken van de cassatietermijn – alsnog is verstrekt en heeft zij de gronden van het cassatiemiddel aangevuld. Nu betrokkene tot het indienen van dit aanvullend verzoekschrift is toegelaten, kan het onderdeel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op
20 november 2015.