Uitspraak
verblijvende te [plaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
20 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake de opheffing van een faillissement. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank en het hof die aan de beschikking zijn gehecht.
De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De advocaat van de verzoeker heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
De Hoge Raad stelt vast dat de verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de opheffing van het faillissement in stand blijft, ondanks bezwaren van de gefailleerde tegen de taakvervulling van de curator.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij het beroep.