Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij [A] BV wegens poging tot inbraak in woningen aan de [a-straat] 160 en 162 te Amsterdam.
Het Hof achtte bewezen dat verdachte samen met anderen op 4 februari 2013 heeft geprobeerd in te breken in genoemde woningen door onder meer het forceren van de sloten. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor herstelkosten van de inbraakschade, gebaseerd op een offerte van een onderhoudsbedrijf. Het Hof kende een bedrag van € 2.400 toe, waarbij het rekening hield met de vrijspraak voor poging inbraak in woning nummer 158.
In cassatie werd onder meer geklaagd over de motivering van het oordeel dat de benadeelde partij rechtstreekse schade had geleden en over de opname van BTW in de vordering. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat klachten over BTW niet in cassatie kunnen worden behandeld omdat dit een feitelijke beoordeling vereist.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het Hof. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting omtrent de schadevergoeding, conform het advies van de Advocaat-Generaal.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot schadevergoeding voor poging tot woninginbraak en wijst het cassatieberoep af.