Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1977, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 november 2014 in een strafzaak. De advocaat van verdachte diende schriftelijke middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering noodzakelijk omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren de Savornin Lohman en Splinter-van Kan. Het beroep werd verworpen en het arrest van het Gerechtshof werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag wordt bekrachtigd.