Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
24 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het telen van hennep. De betrokkene werd veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie. Het hof had het voordeel geschat op €52.328,40 en deze verplichting opgelegd.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het telen van hennep een product oplevert met vermogenswaarde die als daadwerkelijk behaald voordeel moet worden aangemerkt. Het hof motiveerde dit oordeel voldoende en onbegrijpelijkheid is niet gebleken. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op onder meer getuigenverklaringen, een proces-verbaal van politieonderzoek en een berekening van opbrengsten en kosten.
Wel is geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden door te late toezending van stukken door het hof. Dit leidt tot vermindering van de betalingsverplichting. De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag en vermindert dit tot €49.700. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
De uitspraak bevestigt het reparatoire karakter van de maatregel tot ontneming en benadrukt dat het voordeel in de concrete omstandigheden moet worden vastgesteld. De motivering van het hof omtrent de waardering van het hennepproduct en de berekening van het voordeel wordt door de Hoge Raad als toereikend beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €49.700.