Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 5 februari 2015, nr. 14/00400, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2015, waarin een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2008 was bevestigd.
Eerder was een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden door de Hoge Raad vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. In het huidige cassatieberoep heeft belanghebbende twee middelen voorgesteld, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift heeft ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk is, omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten. Het arrest is op 27 november 2015 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2008 blijft gehandhaafd.