ECLI:NL:GHAMS:2015:408
Gerechtshof Amsterdam
- Verwijzing na Hoge Raad
- H.E. Kostense
- J. den Boer
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herinvesteringsreserve en belangwijziging bij aandelenoverdracht en Duitse onroerendgoedparticipatie
Het geschil betreft de toepassing van artikel 12a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op de herinvesteringsreserve (HIR) van belanghebbende. De Hoge Raad verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam om te beoordelen wanneer de belangwijziging in belanghebbende plaatsvond en wanneer de herinvestering in de Duitse onroerendgoedparticipatie werd gedaan.
Het Hof stelde vast dat de juridische levering van aandelen plaatsvond op 30 december 2008, maar dat het economische belang al per 30 september 2008 op de koper (Beheer BV) was overgegaan. De koopovereenkomst van 18 december 2008 bracht de obligatoire verplichting tot koop van de Duitse onroerendgoedparticipatie tot stand, terwijl het Verpflichtungsvertrag van 28 oktober 2008 slechts een intentie-overeenkomst was.
Het Hof oordeelde dat de belangwijziging in belanghebbende vóór 18 december 2008 plaatsvond, terwijl de herinvestering op 18 december 2008 plaatsvond. Hierdoor valt de HIR vrij in de winst van belanghebbende. Het leerstuk van fraus legis werd niet van toepassing geacht omdat de wettelijke regeling niet op onaanvaardbare wijze werd doorkruist.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende.
Uitkomst: De herinvesteringsreserve valt vrij in de winst omdat de belangwijziging vóór de herinvestering plaatsvond; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.