ECLI:NL:HR:2015:3468

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2015
Publicatiedatum
3 december 2015
Zaaknummer
15/03117
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk inzake vennootschapsbelasting 2008

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een aan haar opgelegde voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2008 en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

Eerder was een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem vernietigd door de Hoge Raad en de zaak verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Hof 's-Hertogenbosch en voerde twee klachten aan.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat belanghebbende onvoldoende belang had bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Van Loon en Van Kalmthout, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.

Uitspraak

4 december 2015
Nr. 15/03117
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 28 mei 2015, nr. 14/00562, betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1. Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (nr. 11/00501) is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014, nr. 13/00280, ECLI:NL:HR:2014:1092, BNB 2014/174, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2. Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs oordeel beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2015.