Belanghebbende vervreemde in 2008 onroerend goed met een vervreemdingswinst van € 2.915.725 en vormde een herinvesteringsreserve (HIR) die zij wilde afboeken op de aanschaffingskosten van herinvesteringen in hetzelfde jaar, waaronder een 5% aandeel in een Duitse GbR en onroerend goed ter waarde van € 10.045.000.
De Hoge Raad oordeelde dat bij belangenwijziging de HIR aan de winst moet worden toegevoegd, tenzij voldaan wordt aan de boekwaarde-eis van artikel 3.54, tweede lid, Wet IB 2001. Het Hof onderzocht of de boekwaarde van het GbR-aandeel hoger was dan de boekwaarde van de vervreemde onroerende zaken en concludeerde dat dit niet het geval was, waardoor de HIR geheel aan de winst moet worden toegevoegd.
Belanghebbende voerde nog aan dat zij voorafgaand aan de belangenwijziging geen HIR had gevormd en beriep zich op de ruilarresten, discriminatie en opgewekt vertrouwen. Het Hof verwierp deze stellingen, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad en het ontbreken van relevantie van de tussenbalans.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens wees het Hof de vergoeding van griffierechten en proceskosten af.