Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 februari 2015.
Hoge Raad
Op 8 april 2011 reed de verdachte met een vrachtwagen naar het transportbedrijf van het slachtoffer in Barendrecht. Na een discussie stapte verdachte in zijn vrachtwagen en reed weg, terwijl het slachtoffer zich aan de voorkant van de vrachtwagen vastklampte. Op een rotonde reed verdachte meerdere keren gas en remde, waarbij het slachtoffer bleef hangen en uiteindelijk viel. Verdachte reed vervolgens over het slachtoffer heen, die daardoor overleed.
Het hof stelde vast dat verdachte het slachtoffer in het zicht had toen deze aan de vrachtwagen hing en dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer zou vallen en overlijden. Verdachte stelde dat hij dacht dat het slachtoffer in de berm stond toen hij het niet meer zag, maar het hof achtte dit niet aannemelijk.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de doodslag wettig en overtuigend was bewezen. Het cassatieberoep werd verworpen.
De zaak benadrukt het belang van de bewijslast en de interpretatie van gedragingen in het kader van voorwaardelijk opzet bij doodslag met een voertuig.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte voorwaardelijk opzet had en verwerpt het cassatieberoep.