ECLI:NL:PHR:2024:938

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
11 september 2024
Zaaknummer
23/00136
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie bij oplichting

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor meervoudige oplichting door zich voor te doen als bevoegd persoon namens twee firma's en goederen op te halen bij de Technische Unie. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op aangifteprocessen-verbaal, camerabeelden en verklaringen van de verdachte zelf.

De verdediging stelde in cassatie dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen volgde en dat de kwalificatie van het aannemen van een valse hoedanigheid onjuist was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte zich voordeed als een persoon bevoegd tot het ophalen van bestellingen, ook al was de term 'medewerker' niet bewezen. De kwalificatie bleef daarmee gehandhaafd.

Het tweede middel klaagde terecht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat de stukken te laat werden ingediend. De Hoge Raad achtte dit voldoende reden om de opgelegde taakstraf te verminderen. De overige klachten werden verworpen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en beperkte zich tot vermindering daarvan, terwijl het beroep voor het overige werd afgewezen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafduur en de taakstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00136
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 11 januari 2023 door het gerechtshof Den Haag, wegens primair "oplichting, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 100 uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met vermindering van de tijd die door de verdachte voor tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen en M. Rasterhoff, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel klaagt over de bewijsvoering van de bewezen verklaarde oplichting. Het tweede middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
1.4
Alvorens ik de middelen bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen.

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“Hij op tijdstippen in de periode van 9 juli 2020 tot en met 6 augustus 2020 te Schiedam en Gouda, meermalen (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid medewerkers van de Technische Unie heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten tot afgifte cv-ketels en radiatoren, door
- Het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten van een medewerker van de Firma [bedrijf 1] te Portugaal en de Firma [bedrijf 2] BV,
zijndeeen vaste klant van de Technische Unie en
alseen beschikkingsbevoegde afnemer van de goederen, en
- Voornoemde bestellingen van cv-ketels en radiatoren op naam van de Firma [bedrijf 1] en [bedrijf 2] BV onbevoegd op te halen bij een vestiging van de Technische Unie,
- zich daarbij voor te doen als een persoon die bevoegd is tot het ophalen van voornoemde bestelling.”
2.2
Hiertoe heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd (met weglating van verwijzingen naar de dossierpagina’s):
“1.
Een proces-verbaal van aangifted.d. 31 augustus 2022 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020261563-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op voormelde datum afgelegde verklaring van
[aangever]:
Ik ben werkzaam als verkoopleider bij de Technische Unie in de vestiging Rotterdam en zodoende gerechtigd tot het doen van aangifte van oplichting namens het bedrijf Technische Unie.
Op 9 juli 2020 ontving de vestiging Rotterdam een telefoontje van een man die een order opgaf voor het bedrijf [bedrijf 1] te Portugaal. Dit is een klant van ons. Er werd een bestelling geplaatst voor 1 cv ketel en 4 radiatoren met toebehoren met een orderwaarde van 1965,71 euro.
Op vrijdag 10 juli 2020 kwam een man onze vestiging binnen lopen te Schiedam. Hij meldde zich bij de balie en gaf aan dat hij de goederen op kwam halen voor het bedrijf [bedrijf 1] . De man heeft de goederen meegekregen en heeft de pakbon getekend met [alias] .
De factuur was verstuurd naar de firma [bedrijf 1] in Poortugaal. Wij kregen van de firma [bedrijf 1] te horen dat zij geen bestelling hadden geplaatst en dat zij niemand kenden met de naam [alias] .
2.
Een proces-verbaal van aangifted.d. 31 augustus 2022 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020263785-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op voormelde datum afgelegde verklaring van
[aangever]:
Op 5 augustus 2020, werd er voor de firma [bedrijf 2] B.V telefonisch een order geplaatst van 4 cv ketels, 1 radiator en toebehoren. Deze zouden worden opgehaald bij de vestiging van de Technische Unie in Gouda.
Op 6 augustus 2020 kwam een man de order voor [bedrijf 2] B.V ophalen.
Nadat er voor de tweede keer een bestelling was geplaatst op de naam [bedrijf 2] en bleek dat [bedrijf 2] weer niets besteld had, zijn de camerabeelden in onze vestiging in Gouda nagekeken.
3.
Een proces-verbaald.d. 26 augustus 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1700-2020317035-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op voormelde datum afgelegde verklaring van
de verdachte:
V: Op donderdag 9 juli 2020 is er bij de Technische Unie telefonisch een bestelling geplaatst voor 1 cv ketel en 4 radiatoren met toebehoren. Op 10 juli 2020 is de bestelling opgehaald bij de Technische Unie gevestigd te Schiedam. Degene die de bestelling heeft opgehaald is vastgelegd door beveiligingscamera’s. Het onderzoeksteam heeft de beelden bekeken. U bent herkend als degene die de bestelling heeft opgehaald. Ik herken u ook als diegene die de bestelling heeft opgehaald. Wat kunt u hierover verklaren?
A: Zou kunnen.
O: Verbalisant laat stills zien aan de verdachte van de beveiligingsbeelden.
V: Ik heb u zojuist stills laten zien. Wie en wat zag u?
A: Dat ben ik. Ik haal daar spullen af.
V: Heeft u die spullen daar toen ook betaald?
A: Nee, dat reken je daar meestal niet af. Dat is alleen afhalen.
V: Op woensdag 5 augustus 2020 is er bij de Technische Unie telefonisch een bestelling geplaatst voor 4 cv ketels en 1 radiator met toebehoren. Op 6 augustus 2020 is de bestelling opgehaald bij de Technische Unie gevestigd te Gouda. De bestelling is die dag opgehaald door twee mannen die zijn gekomen met een witte Ford Transit Connect met het [kenteken] . Kunt u mij vertellen wie de bestelling heeft opgehaald?
A: Ik.
O: Verbalisant laat stills zien aan de verdachte van de beveiligingsbeelden.
V: Ik heb u zojuist stills laten zien. Wie en wat zag u?
A: Ik zag mezelf.
V: Wat deed u daar toen?
A: Ik haalde daar toen spullen af.”
2.3
Voorts heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen opgenomen in het arrest:
“De raadsman heeft, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota, betwist dat er sprake is van oplichting. In het bijzonder heeft de raadsman aangevoerd dat geen causaal verband bestaat tussen het oplichtingsmiddel en het afgeven van goederen.
Het hof stelt voorop dat het er bij het oplichtingsmiddel ‘het aannemen van een valse hoedanigheid’, in de kern om gaat of het handelen van de verdachte ertoe heeft geleid dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen omtrent diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken opzettelijk in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het in strijd met de waarheid deed voorkomen dat hij in opdracht van de firma [bedrijf 1] , een vaste klant van de Technische Unie, door die firma bestelde goederen ophaalde. Alleen hierdoor is (het personeel van) de Technische Unie ertoe bewogen die goederen aan hem af te geven.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Het middel bevat valt twee deelklachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de bewezen verklaarde feitelijke gedragingen, waardoor de medewerkers van de Technische Unie tot afgifte zijn bewogen, heeft verricht. De tweede klacht is dat de bewezen verklaarde gedragingen, zelfs als wordt aangenomen dat deze wel uit de bewijsmiddelen kunnen volgen, niet als het aannemen van een valse hoedanigheid kunnen worden gekwalificeerd.
Bespreking van het middel
3.2
Inzake de eerste klacht merk ik op dat de steller van het middel niet concretiseert welke bewezen verklaarde gedragingen niet uit de bewijsmiddelen zouden volgen. Ik neem aan dat de steller van het middel erop doelt dat uit de bewijsmiddelen niet met zoveel woorden blijkt dat de verdachte zich heeft voorgedaan als “een medewerker van” de Firma [bedrijf 1] . Als dat het geval is, dan heeft de steller van het middel een punt. Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden.
3.3
Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een persoon die gerechtigd was de namens de firma [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. gedane bestellingen op te halen. Daarmee wordt de bewezenverklaring, dat de verdachte zich heeft voorgedaan als “een persoon die bevoegd is tot het ophalen van de […] bestelling”, ook met weglating van het gedeelte van de bewezenverklaring waarin staat dat de verdachte zich heeft voorgedaan als “medewerker” van de voornoemde firma, gedekt. Dit staat ook de kwalificatie en de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit niet in de weg. [1]
3.4
Voor de tweede deelklacht is van belang dat het bij het aannemen van een valse hoedanigheid er in de kern om gaat dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, diens naam, of diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken tot doel heeft daarvan misbruik te maken. [2]
3.5
Daarom faalt ook de tweede deelklacht. De verdachte heeft door zich voor te doen als vertegenwoordiger van een klant van de aangever doelbewust een associatie met een betrouwbare klant opgeroepen. [3] Dit heeft het hof mijns inziens kunnen aanmerken als het aannemen van een valse hoedanigheid.
3.6
Het argument van de steller van het middel dat het hof ten aanzien van de op 10 juli 2020 opgehaalde bestelling niet is ingegaan op het standpunt van de verdediging dat de verdachte bij het afhalen van de bestelling de pakbon niet kan hebben getekend met de naam [alias] , omdat deze naam reeds was voorgedrukt op de pakbon en uit de camerabeelden niet blijkt dat de verdachte de pakbon heeft afgetekend, doet hier niet aan af. Het aannemen van de valse hoedanigheid staat of valt in de onderhavige zaak immers niet bij het wel of niet opgeven van een valse naam.

4.Het tweede middel en de bespreking daarvan

4.1
Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Dit middel is terecht voorgesteld. Op 13 januari 2023 is cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn pas op 15 november 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen betekent dat de inzendtermijn van 8 maanden met iets meer dan twee maanden is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf. [4]

5.Slotsom

5.1
Het eerste middel faalt. Nu de verdachte in eerste aanleg door de politierechter is vrijgesproken van het tenlastegelegde, het hof in hoger beroep tot een veroordeling is gekomen en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring van dit feit door het hof, ligt afdoening van het middel met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering niet in de rede. [5] Het tweede middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:799, NJ 2020/206, rov. 2.4.2.
2.HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157, m.nt. Keijzer, rov. 2.3.4.
3.Vgl. inzake het kiezen van een handelswijze die een associatie met (in die zaak) betrouwbare websites oproept HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1336, NJ 2015/117, met redactionele aantekening.
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3 en 3.6.2.
5.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. Keijzer, rov. 2.5.