Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Deze beheerder heeft op basis van de akte van 1994 een begroting voor 2010 opgesteld en toen geconstateerd dat in de daaraan voorafgaande periode de verdeling van kosten tussen de eigenaren van de appartementsrechten van de woningen enerzijds en de eigenaar van de appartementsrechten van de winkels anderzijds niet geheel conform de akte van 1994 was geschied, maar voor een deel nog volgens de akte van 1983. Volgens de akte van 1994 heeft de appartementseigenaar van de winkels een groter aandeel in de kosten dan hij had op grond van de akte van 1983, omdat hij volgens de akte van 1994 ook moet meedelen in de algemene woonkosten.
De hiervoor in 3.2.2 genoemde vorderingen van de VvE zijn afgewezen.
Dit geldt te meer omdat de wijziging is geïnitieerd door [eiseres] , terwijl de latere kopers van de woningen geen enkele reden hadden om aan de rechtsgeldigheid van de akte uit 1994 te twijfelen. De omstandigheid dat mogelijk/kennelijk alle betrokkenen indertijd de betreffende omissie over het hoofd hebben gezien, maakt dit niet anders, temeer niet nu [eiseres] was voorzien van notarieel en rechtskundig advies. [eiseres] (…) heeft tot slot nog een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht, omdat de letterlijke tekst van de akte van 1994 naar haar zeggen een onjuiste weergave vormt van de afspraken binnen de VvE. Van strijd met redelijk en billijkheid is reeds op grond van de voorgaande overwegingen geen sprake. Van misbruik van recht is geen sprake, nu de situatie van artikel 3:13 BW Pro zich niet voordoet.
Uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:26 BW Pro blijkt dat met de in art. 3:26 BW Pro bedoelde persoon ‘die redelijkerwijze voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had kunnen zorgdragen’, onder meer is bedoeld degene die zelf de onjuiste inschrijving heeft teweeggebracht terwijl hij die onjuistheid kende of behoorde te kennen (MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 142), en dat de bescherming van art. 3:26 BW Pro niet kan worden ingeroepen tegen een rechthebbende die het onjuiste feit zelf heeft doen inschrijven, maar zonder dat hij die onjuistheid kende of behoorde te kennen (MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1105-1106). Hieruit volgt – anders dan onderdeel 1.2.2 aanvoert – dat de bescherming van art. 3:26 BW Pro ook kan worden ingeroepen tegen degene die de onjuistheid van het door hemzelf ingeschreven feit (niet kende, maar) behoorde te kennen, maar niet heeft zorggedragen voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid.
4.Beslissing
11 december 2015.