Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 december 2015.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft de betrokkene geen schriftuur met middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet indienen van de middelen van cassatie binnen de gestelde termijn een schending is van de voorschriften van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de betrokkene niet worden ontvangen in het beroep.
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en bevestigt daarmee de uitspraak van het gerechtshof. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 15 december 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.