Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 september 2014, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van een woninginbraak met braak op 15 oktober 2012 te Barendrecht. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen in de woning is ingebroken en diverse goederen heeft weggenomen.
Het bewijs bestond uit diverse proces-verbalen van aangifte, bevindingen, verhoren, sporenonderzoek, camerabeelden en analyses van zendmastgegevens. De politie trof de gestolen goederen aan in de auto van een medeverdachte waarin ook verdachte zat. Het hof verwierp het verweer van verdachte dat hij pas na de inbraak was opgepikt in Rotterdam, mede op basis van routeplannergegevens en tijdregistraties die dit scenario onwaarschijnlijk maakten.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt bij de inbraak niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat. De verklaring van verdachte werd door het hof terecht als leugenachtig beoordeeld. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt bij de woninginbraak en verwerpt het cassatieberoep.