Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling op 8 september 2012 waarbij verdachte zijn echtgenote een knietje gaf nadat zij hem in zijn hand had gebeten tijdens een ruzie over een telefoon. Het hof verwierp het beroep op noodweer omdat verdachte niet in een situatie verkeerde die een noodzakelijke verdediging vereiste.
De bewezenverklaring steunt op de aangifte van de echtgenote, de verklaring van verdachte en het relaas van de verbalisanten die een blauwe plek op het bovenbeen van de echtgenote constateerden. Verdachte gaf toe de mishandeling te hebben gepleegd als reactie op de beet.
De verdediging stelde dat het knietje proportioneel was en dat verdachte zich moest verdedigen tegen de beet. Het hof oordeelde echter dat verdachte eenvoudig had kunnen wijken door de telefoon terug te geven, zodat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die noodweer rechtvaardigde.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, stellende dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte. Het arrest werd uitgesproken op 22 december 2015.
Uitkomst: Het beroep op noodweer wordt verworpen en de veroordeling voor mishandeling blijft in stand.