Belanghebbende stelde zich in hoger beroep tegen een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR, die was vastgesteld door de Inspecteur. De beschikking was gericht op het verkrijgen van informatie over een rekening beheerd door een buitenlandse entiteit in Liechtenstein. Belanghebbende verweerde zich onder meer met een beroep op het specialiteitsbeginsel dat voortvloeit uit internationale rechtshulp, en stelde dat de tenaamstelling van de beschikking onjuist was.
De Hoge Raad oordeelde dat de tenaamstelling van de informatiebeschikking geen reden tot vernietiging gaf, omdat redelijkerwijs geen misverstand kon bestaan over de geadresseerde. Tevens werd geoordeeld dat het hof terecht belang hechtte aan een door belanghebbende overgelegd stuk, ondanks het specialiteitsbeginsel dat het gebruik van het materiaal beperkt tot strafrechtelijke vervolging.
De Hoge Raad liet in het midden of het stuk onder het specialiteitsbeginsel valt, maar stelde vast dat het geen beletsel vormt voor het belang hechten aan stukken die belanghebbende zelf aan de Inspecteur verstrekt. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de termijn voor het beantwoorden van de informatiebeschikking werd vastgesteld.
Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest bevestigt de geldigheid van de informatiebeschikking en de mogelijkheid voor de Inspecteur om stukken van belanghebbende mee te wegen, ook als deze oorspronkelijk zijn verkregen via internationale rechtshulp.