Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 12 juni 2014, nr. SGR 13/4961, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 6 januari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag in een belastingrechtelijke bestuursrechtzaak. Het betrof een verzetprocedure waarin belanghebbende zich verzette tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk was. Daarbij oordeelde de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld op 27 februari 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.