Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 januari 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 november 2012. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad beoordeelt dat het niet tijdig indienen van de middelen een schending is van het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv. Hierdoor kan de verdachte niet worden ontvangen in het beroep. De Hoge Raad verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken op 6 januari 2015 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.