Uitspraak
zetelende te ’s-Gravenhage,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Almere,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie (OM) om de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf te staken. Verweerder was veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarbij hij al langer in voorarrest had gezeten dan de duur van die straf. Het OM startte vervolgens de tenuitvoerlegging van een andere voorwaardelijke gevangenisstraf.
Verweerder vorderde in kort geding dat de tenuitvoerlegging van deze straf zou worden gestaakt, stellende dat het OM onrechtmatig handelde door geen rekening te houden met de langere duur van het voorarrest. De voorzieningenrechter wees de vordering af, maar het hof vernietigde dat vonnis en beval het OM de tenuitvoerlegging te stoppen op grond van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in de Aanwijzing executie.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter. De Hoge Raad stelt vast dat het OM op grond van artikel 553 Sv Pro verplicht is tot volledige tenuitvoerlegging van door de rechter opgelegde straffen, tenzij wettelijk anders is bepaald. De Aanwijzing executie biedt slechts een zeer beperkte, uitzonderlijke bevoegdheid tot stopzetting bij bijzondere omstandigheden, maar niet de bevoegdheid om straffen te compenseren of af te zien van tenuitvoerlegging.
De Hoge Raad oordeelt dat het feit dat het voorarrest langer duurde dan de opgelegde straf in een andere zaak geen bijzondere omstandigheid vormt die het OM bevoegd maakt de tenuitvoerlegging te staken. De klachten van de Staat slagen, en de Hoge Raad doet zelf de zaak af door de vordering van verweerder af te wijzen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering af en bevestigt dat het Openbaar Ministerie niet bevoegd is de tenuitvoerlegging te staken op grond van de Aanwijzing executie bij langere voorarrestduur.