ECLI:NL:HR:2009:BG5977

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10799
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361a SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrek voorarrest bij tenuitvoerlegging eerdere voorwaardelijke straf

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf mocht gelasten terwijl de verdachte in de hoofdzaak reeds een gevangenisstraf van één week met aftrek van voorarrest had gekregen. De verdachte had 103 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, wat langer was dan de opgelegde straf in de hoofdzaak.

Het hof had bij arrest de verdachte vrijgesproken van poging tot zware mishandeling en veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één week met aftrek van het voorarrest. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van een week. De verdachte stelde in cassatie dat het hof niet bevoegd was deze tenuitvoerlegging te gelasten omdat de duur van het voorarrest de straf in de hoofdzaak overstijgt.

De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof bevoegd was de tenuitvoerlegging te gelasten. Tevens maakte de Hoge Raad duidelijk dat aftrek van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis op de tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke straf niet mogelijk is omdat de wet dit niet voorziet. De Hoge Raad constateerde ook een overschrijding van de redelijke termijn, maar zag geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden gezien de korte straf.

Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof mocht de tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke straf gelasten en aftrek van voorarrest daarop is niet mogelijk.

Uitspraak

3 maart 2009
Strafkamer
nr. S 07/10799
AH/SM
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 december 2006, nummer 22/003263-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De middelen zijn schriftelijk toegelicht.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij ten aanzien van de straf, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen, niet is bepaald dat de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis daarop in aftrek dienen te worden gebracht, en tot bevel dat de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis op de straf, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen, in aftrek worden gebracht voor zover deze niet reeds in aftrek kunnen worden gebracht op de straf voor het feit waarvoor de verdachte is veroordeeld, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is bij het bestreden arrest vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en ter zake van (de subsidiair tenlastegelegde) mishandeling veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van het ondergane voorarrest. De duur van die in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd beliep, naar in cassatie moet worden aangenomen, 103 dagen.
Voorts is bij het bestreden arrest de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week, opgelegd bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 23 februari 2003.
3.2. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het het Hof niet vrijstond de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van een week te bevelen nu de duur van de in de hoofdzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis de duur van de in die zaak opgelegde gevangenisstraf met meer dan een week overstijgt. Die opvatting is onjuist zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
3.3. Opmerking verdient nog het volgende. In een geval als het onderhavige waarin op de voet van art. 361a Sv bij de uitspraak in de hoofdzaak tevens de tenuitvoerlegging wordt gelast van een voorwaardelijke straf, is een bevel tot aftrek op die laatste straf van de in de hoofdzaak ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis niet mogelijk, nu de wet daarin niet voorziet.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van een week en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 3 maart 2009.